ISW jaar 1 · UU (IMW)

Samenvatting Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving

De complete samenvatting van Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving (IMW) bij ISW aan de UU, in de volgorde van de colleges: per week de kern, de begrippen en de verbanden die je op het tentamen nodig hebt. Week 1 en 2 lees je gratis met een account in de reader.

Literatuur: Dillon, Introduction to Sociological Theory (3e druk)

16 hoofdstukken in 8 weken · 320 flashcards · 160 oefenvragen · 80 open vragen met modelantwoord

Complete Bundel IMW: €22,00 eenmalig (los €28,00 — je bespaart €6,00). Betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Verder lezen

De rest van Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving in één keer: eenmalig betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Bekijk prijzen · Oefenen met Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving

Vragen bij Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving

Wat is nou echt het verschil tussen een sociologische theorie en gewoon gezond verstand?

Drie eisen maken theorie meer dan een mening. Zij is systematisch, want de uitspraken hangen met elkaar samen. Zij is empirisch geworteld, dus zij komt voort uit waarneming en kan daaraan sneuvelen. En zij is openbaar, dus anderen kunnen haar narekenen en bestrijden. Gezond verstand mist die laatste twee: het klopt vaak, maar het legt nooit uit waarom het zou kloppen en niemand kan het weerleggen.

Het praktische verschil merk je meteen. Zonder theorie verklaar je gedrag uit de persoon: Sjors haalt zijn punten niet, dus Sjors is lui. Met een begrip als sociale structuur kijk je naar het verband waarin Sjors zit, en verbind je zijn geval met duizenden andere.

Als elke theorie iets zichtbaar maakt en iets anders juist verbergt, hoe kies je dan welke je op een casus loslaat?

Een theorie werkt als een lens: zij koopt zicht op het ene met blindheid voor het andere. De vraag is dus zelden of zij waar is, maar wat zij zichtbaar maakt en wat zij mist. Alleen schuift daarmee het probleem op. Wie beslist welk aspect van een casus het belangrijkste is, heeft dat oordeel niet uit de theorie zelf gehaald. Waar komt het dan vandaan?

Waarom noemt Marx uitbuiting geen verwijt aan een gemene baas?

Uitbuiting is bij Marx een verhouding, geen karaktertrek. De arbeider verkoopt zijn arbeidskracht, de enige waar die meer waarde voortbrengt dan zij zelf kost. Een deel van de dag verdient hij zijn loon terug, dat heet noodzakelijke arbeid; de rest van de dag werkt hij voor de eigenaar, en dat verschil is de meerwaarde. Die toe-eigening loopt door, ook als iedereen zich netjes aan de regels houdt en het contract vrijwillig getekend is.

Bob bezorgt maaltijden per rit. De fiets is van hem, maar de app, de klanten en de gegevens niet, en juist die bepalen of hij werk heeft. Dat hij het tarief aanvaardde, verandert de rekensom niet.

Als ideologie geen leugen en geen complot is, wie houdt de bestaande verhoudingen dan in stand?

Niemand hoeft te liegen: de gewone gang van zaken produceert vanzelf beelden die haar bevestigen, en warenfetisjisme laat de prijs natuurlijk lijken terwijl het werk erachter onzichtbaar blijft. Maar daar wringt het. Als niemand het doet, hoe kan een klasse op zich dan ooit een klasse voor zich worden? Wat moet er gebeuren voordat mensen door hun eigen vanzelfsprekendheden heen kijken?

Hoe houd ik egoïstische en anomische zelfmoord uit elkaar? Ze lijken op elkaar.

Werk in twee stappen, dan verwar je ze niet. Vraag eerst welke kracht in het geding is: integratie zegt hoe sterk iemand in een groep is opgenomen, regulering hoeveel die groep zijn verlangens begrenst. Vraag pas daarna of er te weinig of te veel van is.

Egoïstisch betekent te weinig integratie: de protestant staat er met zijn eigen bijbeluitleg alleen voor, waar de katholiek een gedeelde uitleg en een vast ritueel krijgt aangereikt. Anomisch betekent te weinig regulering: bij een plotselinge economische omslag valt de maat weg, in hoogconjunctuur net zo goed als in crisis. Wie meteen bij het type begint, kiest bijna altijd het verkeerde.

Durkheim noemt anomie een afwijkende vorm van arbeidsdeling. Wanneer is iets een afwijking en wanneer een kenmerk van het systeem zelf?

Durkheim ziet in de arbeidsdeling in beginsel samenhang, en noemt de ellende een afwijking die met regels en gelijke uitgangsposities te repareren valt. Marx kijkt naar dezelfde fabriek en ziet vervreemding die er ingebouwd zit. Beiden wijzen verklaringen af die bij het losse individu beginnen, dus dat verschil beslist niets. Waar zou je op moeten letten om te zien wie gelijk heeft?