ISW jaar 1 · UU (KOM)

Samenvatting Kennismaking met onderzoeksmethoden en statistiek

De complete samenvatting van Kennismaking met onderzoeksmethoden en statistiek (KOM) bij ISW aan de UU, in de volgorde van de colleges: per week de kern, de begrippen en de verbanden die je op het tentamen nodig hebt. Week 1 en 2 lees je gratis met een account in de reader.

Literatuur: Morling & Carr, Introduction to and Application of Research Methods and Statistics (UU-editie)

15 hoofdstukken in 8 weken · 300 flashcards · 150 oefenvragen · 46 open vragen met modelantwoord

Complete Bundel KOM: €26,00 eenmalig (los €28,00 — je bespaart €2,00). Betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Verder lezen

De rest van Kennismaking met onderzoeksmethoden en statistiek in één keer: eenmalig betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Bekijk prijzen · Oefenen met Kennismaking met onderzoeksmethoden en statistiek · Veelgemaakte fouten bij Kennismaking met onderzoeksmethoden en statistiek

Vragen bij Kennismaking met onderzoeksmethoden en statistiek

Wat is het verschil tussen een theorie en een hypothese, en waarom kun je een theorie niet rechtstreeks toetsen?

Een theorie is een samenhangende verzameling uitspraken over hoe variabelen zich in het algemeen tot elkaar verhouden. Die is te algemeen om te meten. Een hypothese is de concrete uitkomst die je in één bepaald onderzoek verwacht als de theorie klopt. Uit één theorie volgen dus veel hypothesen, en elk onderzoek toetst er één.

Neem de theorie dat geeuwen de hersenen afkoelt. Daaruit volgt de voorspelling dat iemand met een koud kompres op zijn voorhoofd minder meegeeuwt met filmpjes dan iemand met een warm kompres. Het aantal keren geeuwen zijn de data. Die data bewijzen de theorie niet: ze steunen haar of ondermijnen haar, en het oordeel valt pas als je alle studies bij elkaar legt.

Als een theorie na elke tegenvaller wordt bijgesteld, blijft zij dan falsifieerbaar?

Bijstellen hoort bij de theorie-data-cyclus, dus op zichzelf is er niets mis mee. Het wordt anders zodra elke bijstelling een extra uitzondering is die alleen dít ene resultaat opvangt. Dan schuift de theorie op richting een verklaring die niets meer uitsluit, en precies daar mikt spaarzaamheid op. De vraag die jij beantwoordt: welke uitkomst zou deze theorie, ná de bijstelling, nog kunnen laten zakken?

Hoe houd ik de beschikbaarheidsheuristiek en confirmatiebias uit elkaar?

Bij de beschikbaarheidsheuristiek telt hoe makkelijk iets in je opkomt. Opvallende, recente en emotionele gebeurtenissen komen sneller boven, dus schat je hun aantal te hoog in. Je eigen mening speelt daarbij geen rol.

Bij confirmatiebias telt juist wél wat je al vindt: je zoekt, ziet en onthoudt vooral bewijs dat je overtuiging bevestigt, en tegenbewijs redeneer je weg. Zelfs de vraag die je stelt lokt de bevestiging al uit.

Kort gezegd gaat de eerste over gemak van herinneren en de tweede over de richting van je overtuiging. Vraag je bij een casus dus af of iemand iets overschat omdat het in het nieuws was, of omdat het hem goed uitkomt.

Als je je eigen vertekening slechter ziet dan die van een ander, hoe controleer je die dan bij jezelf?

Dat is precies de bias blind spot: de meeste mensen vinden zichzelf minder bevooroordeeld dan de gemiddelde ander, en dat kan niet voor iedereen kloppen. Nadenken over jezelf helpt hier dus weinig. Wat wel werkt ligt buiten jezelf: een vergelijkingsgroep, openbare waarnemingen en iemand die je tegenspreekt. Welke van je eigen overtuigingen heb jij ooit actief proberen te weerleggen in plaats van te onderbouwen?

Hoe zie ik aan een krantenkop of het om een associatieclaim of een causale claim gaat?

Ga in vaste volgorde te werk. Tel eerst de variabelen, kijk dan of ze gemeten of gemanipuleerd zijn, en let pas daarna op het werkwoord. Eén gemeten variabele hoort bij een frequentieclaim, twee gemeten variabelen bij een associatieclaim, en een gemanipuleerde variabele met een gemeten uitkomst maakt een causale claim mogelijk.

Signaalwoorden helpen: hangt samen met, vaker bij, voorspelt. Bij veroorzaakt, verhoogt, leidt tot of zorgt voor gaat het om causaliteit. Let op dat ook een voorzichtig “kan bijdragen aan” causaal is. Het werkwoord beslist dus niet alleen, want de kop en de studie eronder kunnen uit elkaar lopen.

Bij een causale claim mag de externe validiteit wijken. Wat heb je aan een sluitend experiment als je niet weet op wie het slaat?

De redenering is dat een kunstmatige situatie met een sluitende conclusie meer waard is dan een levensechte studie met vijf alternatieve verklaringen. Je koopt dus zekerheid over het mechanisme met onzekerheid over het bereik. Dat bereik is daarna een volgende vraag, voor een volgende studie. Alleen: wie stelt die vraag, en wat doe je in de tussentijd met de conclusie?