De vragen en discussies die bij Introductie gedragswetenschappen horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 35 vragen, waarvan 32 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Een niveau van analyse zegt waar je kijkt: bij het lichaam, bij de persoon of bij de omgeving. Een perspectief zegt welke vraag je daar stelt. Het biologische perspectief en het biologische niveau vallen bijna samen, maar daarbuiten loopt het uiteen. Het psychodynamische, het cognitieve en het humanistische perspectief zitten alle drie op het psychologische niveau en geven toch verschillende verklaringen: een onbewust conflict, een manier van informatie verwerken, een geblokkeerde groei. Neem een black-out tijdens een tentamen. Het niveau bepaalt of je over het stresssysteem praat, over de gedachte “ik haal dit nooit” of over de volle zaal met een aftellende klok. Het perspectief bepaalt wat je van die gedachte vindt.
De overeenkomst is echt: net als Wundts geoefende proefpersonen rapporteert een deelnemer over zijn eigen ervaring. Het verschil zit in de controle. Een score is tussen personen te vergelijken en te herhalen, een introspectief verslag niet. Daarmee is de kwestie niet weg, want je vertaalt de geest nog steeds naar iets zichtbaars en hoopt dat de vertaling klopt. Wat zou jij eisen voordat je een zelfrapportage als bewijs aanvaardt?
Voorspellen en verklaren zijn twee verschillende dingen. Een samenhang zegt alleen dat twee variabelen samen bewegen, en dat is genoeg voor een schatting: wie vooraan zit haalt gemiddeld hogere cijfers, dus vooraan zitten voorspelt het cijfer. Waarom ze samen bewegen staat er niet bij. Het bidirectionaliteitsprobleem laat open welke kant het op werkt, want misschien helpt vooraan zitten en misschien gaat wie gemotiveerd is vanzelf vooraan zitten. Het derdevariabeleprobleem laat open of iets anders allebei veroorzaakt, bijvoorbeeld het aantal uren dat iemand naast de studie werkt. Alleen manipulatie, controle en aselecte toewijzing sluiten die twee uit.
Blinderen haalt de kennis weg, niet de nieuwsgierigheid. Deelnemers bouwen zelf een idee over het doel en passen hun gedrag aan dat idee aan, ook zonder dat iemand iets heeft verteld. Een dekverhaal en meerdere condities maken dat raden moeilijker, maar bewijzen niet dat het niet gebeurde. Hoe zou je ná afloop vaststellen of je deelnemers de bedoeling doorhadden, en wat doe je met hun gegevens als dat zo blijkt?
Voor jou persoonlijk betekent het niets. De erfelijkheidscoëfficiënt gaat over de spreiding in een groep: bij 0,50 hangt de helft van de verschillen tussen mensen in die populatie samen met genetische verschillen. Niet de helft van jouw lengte of jouw temperament. Twee dingen horen erbij. Het getal hoort bij één populatie in één omgeving, dus wordt de omgeving gelijker doordat iedereen goed eet, dan blijven vooral genetische verschillen over en stijgt de coëfficiënt. En erfelijk is niet onveranderlijk: lengte heeft een hoge erfelijkheid en is in Nederland in een eeuw fors gestegen, door voeding en gezondheidszorg. Over verschillen tússen groepen zegt het getal helemaal niets.
Precies daar zit de kritiek. Een verklaring die pas ná de uitkomst wordt bedacht kan niet misgaan, en wat mensen ooit deed overleven is slecht te reconstrueren. Buss legde zijn verwachting over partnervoorkeur in zevenendertig culturen voor, en die had ook fout kunnen uitpakken. Alleen verklaart socialisatie zo'n cultuurverschil vaak net zo goed. Welke uitkomst zou jouw evolutionaire hypothese hebben weerlegd?
De sterkte zit niet in het signaal van één cel maar in het patroon eromheen. Een neuron vuurt volledig of helemaal niet, dus het actiepotentiaal bij een tik is even groot als bij een klap. Wat verandert is de vuurfrequentie: bij een sterkere prikkel vuurt dezelfde cel vaker achter elkaar, tot aan de grens die de refractaire periode stelt. Daarnaast doen er meer cellen mee, want een sterkere prikkel haalt bij meer neuronen de drempel van ongeveer 55 millivolt negatief. De bewering dat een harde klap een groter actiepotentiaal oplevert, klopt dus niet.
Beeldvorming registreert, zij grijpt niet in. Een gebied dat tijdens een taak meer bloed gebruikt doet mogelijk het werk, maar kan ook meeliften, remmen, of iets doen wat de taak toevallig oproept. Alleen de derde stapel technieken verandert iets: laesie, elektrische stimulatie en TMS, en die leveren een oorzaak op. Welke van die drie zou je bij een gezonde proefpersoon nog kunnen verantwoorden?
Opmerken hangt van twee dingen af, en maar één daarvan zit in het zintuig. De signaaldetectietheorie zet naast de gevoeligheid de beslissing die iemand bij twijfel neemt. Dat criterium schuift met verwachting, motivatie, vermoeidheid en met wat een fout kost. Vier uitkomsten horen erbij: een treffer, een misser, een vals alarm en een terechte afwijzing. Fleur wacht op een bericht en meent haar telefoon om de paar minuten te voelen trillen, terwijl er niets binnenkomt. Haar huid is niet gevoeliger geworden, haar criterium ligt lager: omdat zij het bericht verwacht, telt een vage prikkel al mee als signaal. Veel valse alarmen, bijna geen missers.
Omdat de correctie niet zit op het niveau waarop jij iets weet. Je hersenen passen grootteconstantie toe op een afstand die de pijlpunten suggereren, en die verrekening loopt buiten je oordeel om. Segall en collega's vonden bovendien dat wie tussen rechte hoeken en getimmerde gebouwen opgroeit er sterker in trapt, dus die gok is deels geleerd. Wat zegt het over waarnemen dat kennis de ervaring niet corrigeert?
Verdeelde aandacht lukt alleen wanneer minstens één van de twee taken automatisch verloopt. Automatische verwerking kost weinig inspanning en vraagt geen bewuste sturing, dus zij kan naast iets anders lopen. Gecontroleerde verwerking gaat stap voor stap, is traag en vraagt je aandacht helemaal op. Bob fietst een bekende route en praat ondertussen met Luna: sturen, remmen en voorrang verlenen gaan vanzelf. Bij een omleiding valt het gesprek stil, want de onbekende route vraagt sturing en die kan er niet naast. De keerzijde van automatisch is starheid: een ingesleten handeling stuur je moeilijk bij.
Er komt meer materiaal en de verteller wordt zekerder, terwijl het aantal juiste herinneringen niet toeneemt. Wat groeit is dus de hoeveelheid en het vertrouwen, niet de juistheid, en precies die combinatie maakt een getuigenverklaring gevaarlijk. Dat zekerheid en juistheid uit elkaar kunnen lopen, kom je in dit vak vaker tegen. Waaraan zou een rechter dan wél moeten aflezen of een herinnering klopt?
Bij negatieve bekrachtiging neemt het gedrag toe, bij straf neemt het af. Dat is de eerste vraag die je stelt. Pas daarna kijk je of er iets bijkomt (positief) of weggaat (negatief). Opstaan zet de wekker uit: het vervelende geluid verdwijnt en je staat de volgende ochtend opnieuw op, dus het gedrag neemt toe en er gaat iets weg. Dat is negatieve bekrachtiging. Je telefoon wordt ingenomen: er gaat ook iets weg, maar het gedrag neemt af, en dat is negatieve straf. Wie andersom begint en eerst op “er gaat iets weg” let, kiest bijna altijd de verkeerde van die twee.
Er is duidelijk iets geleerd zonder dat een gevolg het gedrag stuurde, want pas toen er voer kwam werd het zichtbaar. Latent leren laat zo zien dat bekrachtiging niet nodig is om te leren, hooguit om te presteren. Blocking wijst dezelfde kant op, want daar telt of een prikkel informatie toevoegt. Wat verklaart de wet van het effect dan precies: wat iemand kan, of wat hij doet?
Niet de tijd die je erin steekt telt, maar de diepte van de verwerking. Craik en Lockhart onderscheidden verwerking van de vorm, van de klank en van de betekenis, en alleen die laatste levert een duurzame herinnering op. Overlezen is onderhoudende herhaling: je houdt de tekst even vast zonder er betekenis aan toe te voegen. Een verband leggen met wat je al weet, met een voorbeeld of met een beeld, is uitwerkende herhaling. Daar komen het zelfreferentie-effect en dubbele codering bij: op jezelf betrokken en in woord én beeld vastgelegd blijft beter hangen. Gespreid leren levert bovendien meer op dan dezelfde uren op één avond.
Je schrijft niet op wat er stond, maar wat in jouw schema paste. Wat vreemd was verdwijnt, wat vertrouwd klinkt komt erbij, en allebei voelt als onthouden. Dat maakt samenvatten niet zinloos, want juist dat inpassen is uitwerkende herhaling. Maar waaraan zou je merken dat je iets hebt gladgestreken wat in het boek nog schuurde?
Stel één vraag: gaat het over hoe snel een voorbeeld je te binnen schiet, of over hoe goed een geval bij een beeld past? Bij de beschikbaarheidsheuristiek schat je een kans op de gemakkelijkheid waarmee voorbeelden bovenkomen, waardoor opvallende gebeurtenissen te zwaar wegen. Berichten over een inbraak op het Utrecht Science Park maken die kans in je hoofd groter dan zij is. Bij de representativiteitsheuristiek oordeel je naar gelijkenis met je beeld van een categorie, en daardoor vergeet je de basiskans. De stille student met een bril voor informaticus houden hoort daarbij, en ook de conjunctiefout komt eruit voort.
Het bewijst in elk geval dat het kind een regel heeft afgeleid en niet napraat, en dat was het argument tegen Skinner. Van overregularisatie naar een universele grammatica is nog een stap: een systeem dat patronen zoekt in wat het hoort, kan dezelfde fout opleveren. Wat zou je nog meer moeten vinden voordat je van aangeboren kennis spreekt in plaats van een aanleg om te leren?
Nee. Een IQ-score is een positie in een groep en geen hoeveelheid. Sinds Wechsler werkt de test met een deviatie-IQ: je score wordt vergeleken met die van je leeftijdsgenoten, in een verdeling met een gemiddelde van 100 en een standaardafwijking van 15. Ongeveer twee derde van de mensen komt daardoor tussen 85 en 115 uit. Het getal zegt dus alleen hoeveel standaardafwijkingen iemand van dat gemiddelde af zit. Termans oorspronkelijke formule, mentale leeftijd gedeeld door kalenderleeftijd maal honderd, gaf wel zo'n verhouding, maar die werkt alleen bij kinderen: na de adolescentie loopt de mentale leeftijd niet verder op.
Omdat de erfelijkheidsgraad over verschillen binnen een groep gaat, in de omgeving waarin die groep is onderzocht, en het Flynn-effect over de verplaatsing van de hele groep. Betere voeding, meer scholing en meer omgang met abstracte taken tillen iedereen op zonder de rangorde te veranderen. Datzelfde onderscheid keert terug bij verschillen tussen groepen. Waarom is het daar zoveel moeilijker vol te houden?
Let op wat er ná de lichamelijke reactie gebeurt. Bij James-Lange komt het lichaam eerst: je hart bonkt en je rent weg, en daaruit volgt het gevoel angst, met voor elke emotie een eigen lichamelijk patroon. Bij Cannon-Bard ontstaan de lichamelijke reactie en het gevoel tegelijk vanuit de hersenen, want Cannon vond lichaamsreacties te traag en te weinig onderscheiden om het gevoel te dragen. Bij de tweefactorentheorie van Schachter en Singer voel je opwinding en zoek je daar in de situatie een verklaring bij, en dat label bepaalt welke emotie het wordt. Daaruit volgt ook misattributie van arousal.
Het overjustificatie-effect treedt op bij iets wat iemand uit zichzelf al graag deed: de reden verhuist naar buiten, en valt de beloning weg, dan blijft er minder over dan voorheen. Bij gedrag dat iemand uit zichzelf niet vertoont, is er geen eigen motivatie om te verdringen. De zelfdeterminatietheorie voegt toe dat competentie en autonomie meewegen. Welke beloning laat het gevoel van eigen keuze intact?
Ze verklaren dezelfde ontwikkeling met een andere motor. Bij Piaget ontdekt het kind zelf: het past een nieuwe ervaring in een bestaand schema (assimilatie) of past het schema aan (accommodatie), en zo werkt het zich door vier stadia heen. Bij Vygotsky ontstaat denken eerst tussen mensen en pas daarna in het hoofd van het kind. De zone van naaste ontwikkeling is het gebied tussen wat een kind alleen kan en wat het met hulp van een vaardiger ander kan, en daar valt de winst te halen, met scaffolding als middel. Bij een casus is de vraag dus of het kind alleen ontdekt of dat er iemand bij is die verder is.
De leeftijden schuiven, en de overgangen blijken geleidelijker en per gebied verschillend, dus als tijdschema is het model te streng. De volgorde blijft staan, en ook het idee dat een kind een eigen logica heeft in plaats van minder kennis. De vraag daarachter is lastiger: als de taak de uitkomst zo verschuift, meet je dan het denken van het kind of de taak? Wat zou je moeten aantonen om nog van een stadium te spreken?
Self-efficacy gaat over één taak: vertrouw je erop dat je juist dit tot een goed einde brengt? Locus of control, het begrip van Rotter, gaat over waar uitkomsten in het algemeen vandaan komen: uit je eigen handelen (intern) of uit toeval, geluk en anderen (extern). Die twee zijn los van elkaar te hebben. Fleur kan weinig vertrouwen hebben in haar statistiektentamen en tegelijk overtuigd zijn dat cijfers volgen uit wat je zelf doet. Allebei horen ze bij de sociaal-cognitieve benadering, waarin persoon, gedrag en omgeving elkaar in een kring beïnvloeden: wederkerig determinisme.
Omdat de voorspelling wél klopt zodra je gedrag over veel gelegenheden optelt: een trek zegt iets over het gemiddelde, niet over dinsdag. Daar staat tegenover dat een sterke situatie met duidelijke normen de verschillen wegdrukt, en dat Mischel zelf later naar als-dan-patronen keek. Wanneer is een voorspelling over een gemiddelde bruikbaar voor één persoon, bijvoorbeeld bij een sollicitatie?
Bij conformiteit is er geen bevel en geen gezag, alleen een groep die iets anders doet. Asch liet deelnemers zeggen welke van drie lijnen even lang was als de standaardlijn. Zaten er handlangers bij die hardop het verkeerde antwoord gaven, dan ging een aanzienlijk deel mee, en driekwart deed dat minstens één keer. Eén afwijkende bondgenoot verlaagde dat sterk, want de eenstemmigheid was doorbroken. Bij gehoorzaamheid geeft iemand met gezag een opdracht. Bij Milgram ging ongeveer twee derde door tot het hoogste niveau, en dat daalde zodra het slachtoffer dichterbij was, de proefleider op afstand stond of een andere deelnemer weigerde.
Festinger ziet een onprettige spanning tussen overtuiging en gedrag, die het makkelijkst verdwijnt door de overtuiging aan te passen. Bem heeft die spanning niet nodig: je leidt je eigen houding af uit je gedrag, net zoals je die van een ander afleidt. Allebei voorspellen ze dat wie één dollar kreeg de taak achteraf leuker vindt. Welk verschil in uitkomst zou de twee dan wél uit elkaar trekken?
Geen van beide is beter; wat telt is of de aanpak bij de situatie past. Probleemgerichte coping pakt de situatie zelf aan: informatie zoeken, een plan maken, hulp vragen, de oorzaak wegnemen. Dat werkt het best bij iets waar je invloed op hebt, zoals een herkansing die over drie weken valt. Emotiegerichte coping reguleert je eigen reactie: de zaak anders bekijken, afleiding zoeken, erover praten, aanvaarden wat niet te veranderen valt. Dat past bij verlies of ziekte, waar aanpakken niets oplevert. Los een casus daarom in twee stappen op: kan deze persoon iets aan de situatie veranderen, en verandert hij de situatie of zijn beleving? Vermijding is de uitzondering, want die helpt kort en kost lang.
Niet helemaal. Het lichaam kent inderdaad een vaste route van alarm via weerstand naar uitputting, met adrenaline vooraan en cortisol daarna. Maar of die route aanslaat en hoe lang zij aanhoudt, hangt af van de primaire en secundaire beoordeling: Fleur ziet een uitdaging waar Bert bij dezelfde herkansing een dreiging ziet. Waar zou jij de grens leggen tussen wat het lichaam vastlegt en wat de weging bepaalt?
Zeldzaam is niet hetzelfde als gestoord. Vier criteria komen terug en geen ervan volstaat alleen: afwijking van wat in een cultuur gebruikelijk is, lijdensdruk bij de persoon of zijn omgeving, belemmering van het dagelijks functioneren, en soms gevaar. Rob zwemt elke ochtend in de Kromme Rijn, ook in januari, en zijn huisgenoten vinden dat bizar. Het is statistisch zeldzaam en het wijkt af van de norm, maar hij lijdt er niet onder, functioneert prima en brengt niemand in gevaar. Pas als meerdere criteria samenvallen komt de vraag naar een stoornis in beeld. En de context telt mee, want rouw of een religieuze ervaring kan op alle vier lijken zonder dat er iets aan de hand is.
De winst zit in de afspraak, niet in de verklaring: hulpverleners bedoelen hetzelfde met dezelfde term, onderzoekers kunnen groepen vergelijken en behandelingen worden vergelijkbaar getoetst. De prijs is een etiket dat blijft plakken, scherpe categorieën waar de werkelijkheid geleidelijk verloopt, en mensen die tegelijk aan meerdere sets criteria voldoen. Wat zou je opgeven als je die categorieën door een schaal verving?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Introductie gedragswetenschappen · Oefenen met Introductie gedragswetenschappen · Bekijk prijzen