ISW jaar 1 · UU (IISW)

Samenvatting Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap

De complete samenvatting van Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap (IISW) bij ISW aan de UU, in de volgorde van de colleges: per week de kern, de begrippen en de verbanden die je op het tentamen nodig hebt. Week 1 en 2 lees je gratis met een account in de reader.

Literatuur: Van der Gaast, Koenders & Post, Academische vaardigheden voor interdisciplinaire studies (4e druk) + artikelen

16 hoofdstukken in 8 weken · 320 flashcards · 160 oefenvragen · 80 open vragen met modelantwoord

Complete Bundel IISW: €22,00 eenmalig (los €25,00 — je bespaart €3,00). Betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Verder lezen

De rest van Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap in één keer: eenmalig betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Bekijk prijzen · Oefenen met Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap · Veelgemaakte fouten bij Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap

Vragen bij Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap

Waarom is multidisciplinair werken niet gewoon een lichtere vorm van interdisciplinair werken?

Omdat het verschil niet in het aantal vakken zit, maar in wat er met de inzichten gebeurt. Bij multidisciplinair werk levert elk vak zijn eigen stuk en blijven die stukken naast elkaar staan: je houdt een verzameling deelantwoorden over. Bij interdisciplinair werk gaat er iets uit elkaar en weer in elkaar. Je zoekt op waar de vakken elkaar tegenspreken, meestal in de begrippen of in de aannames eronder, maakt daar een gemeenschappelijke basis van en schrijft één verklaring op. Drie vakken kunnen dus multidisciplinair blijven en twee vakken interdisciplinair zijn. Vraag bij elk verslag: worden de bijdragen samengevoegd, of achter elkaar geplakt?

Als je het begrip stress herschrijft zodat een psycholoog en een socioloog er allebei mee kunnen werken, wat houd je dan nog over van beide vakken?

Daar zit de prijs van integratie. De psycholoog raakt de reactie van het individu als kern kwijt, de socioloog de langdurige onzekerheid, en wat overblijft is belasting die in de omgeving ontstaat en in het lichaam doorwerkt. Winst voor het vraagstuk, verlies aan scherpte per vak. De vraag is hoeveel je een begrip mag oprekken voordat het niets meer uitsluit. Waar leg jij die grens?

Wat doet een socioloog met een Utrechtse wijk dat een antropoloog niet doet?

De socioloog vraagt waarom de ene groep het anders doet dan de andere, en zoekt het antwoord in posities, instituties en ongelijkheid. Zijn gereedschap is de survey, registerdata en interviews, dus hij werkt met verschillen tussen veel mensen. De antropoloog vraagt wat het voor de mensen zelf betekent, en gaat daarvoor langdurig het veld in met participerende observatie. Bij roken in een wijk levert dat twee andere antwoorden: schulden en onzeker werk tegenover de rol van de sigaret in het contact op straat. Geen van beide is het hele verhaal, en precies daarom staan ze hier naast elkaar, met de psychologie erbij voor verslaving en zelfvertrouwen.

Integratie betekent bij Van der Gaast het samenvoegen van inzichten en bij Berry meedoen in een samenleving. Waarom gebruiken we daar niet gewoon twee woorden voor?

In een tentamenantwoord kost die verwarring punten, dus zeg altijd welke van de twee je bedoelt. Toch lijken ze op elkaar: allebei gaan ze over twee dingen die iets van elkaar toelaten zonder in elkaar op te gaan. Bij Berry is de gunstige uitkomst behoud én contact; bij Van der Gaast blijft elk vak herkenbaar in de nieuwe verklaring. Toeval, of zegt dat iets over wat wij onder samengaan verstaan?

Hoe weet ik welke techniek voor common ground ik moet kiezen?

Dat volgt uit de plek waar het conflict zit, niet uit je voorkeur. Zit het in een woord dat twee vakken anders invullen, dan herschrijf je dat woord: redefinitie. Klopt een theorie wel maar dekt zij slechts een deel van het probleem, dan rek je haar op naar wat zij stilzwijgend buiten liet: extensie. Spreken de inzichten elkaar niet tegen maar staan ze los, dan zet je ze in één schema van oorzaken en gevolgen: organisatie. En staan twee aannames lijnrecht tegenover elkaar, zoals aangeboren tegenover aangeleerd, dan maak je er de uiteinden van één schaal van: transformatie. Benoem dus eerst het conflict, pas daarna de techniek.

Common ground maak je zelf. Wat weerhoudt je ervan de begrippen net zo lang bij te schaven tot er uitkomt wat je toch al dacht?

Weinig, en dat is de zwakke plek van het model. De onderzoeker kiest de disciplines, herschrijft de begrippen en bepaalt de reikwijdte; pas bij het toetsen komt er tegenspraak. Daarom hoort de verantwoording erbij: welke keuzes maakte je, en wat verklaart je nieuwe begrip juist niet? Zou een medestudent met dezelfde inzichten bij een andere gemeenschappelijke basis uitkomen?