ISW jaar 1 · UU (IISW)

Tentamenanalyse Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap

Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.

Deze pagina gaat niet over de stof zelf, maar over hoe die stof weegt. De tien onderwerpen van dit vak zijn gewogen op de ruimte die ze in de samenvatting krijgen, hoe ingewikkeld ze zijn en hoe goed ze zich laten bevragen. Daaruit volgen vijf beelden: aandeel, punten, moeilijkheid, prioriteit en studietijd. Je wordt getoetst met een tentamen met meerkeuze- en open vragen en met schrijfopdrachten, dus je hebt scherpe begrippen en een eigen betoog nodig. Lees de vijf secties op volgorde en gebruik ze om te bepalen waar je avonden heen gaan, niet om onderwerpen te schrappen.

Onderwerpen van Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap naar aandeel, verwachte punten, moeilijkheid en studietijd
OnderwerpAandeel in de stofverwachte puntenMoeilijkheidStudietijd
Interdisciplinariteit en integratie6%6%3 van 56%
De drie thema's van ISW Utrecht7%7%2 van 56%
Het interdisciplinaire onderzoeksproces7%8%4 van 59%
Academisch lezen en bronnen beoordelen6%6%2 van 55%
Gezondheidsverschillen en beleid13%13%3 van 512%
Adolescentie en jeugdcultuur12%12%3 van 511%
Migratie en intergroepsrelaties12%12%3 van 511%
Niveaus van analyse en sociale problemen12%13%5 van 515%
Onderzoeksvraag, betoog en argumentatie12%12%4 van 513%
Integratie in de praktijk en de rol van de onderzoeker13%11%4 van 512%

Aandeel in de tentamenstof

Tel de tien onderwerpen bij elkaar op en het beeld kantelt. De drie thema's, gezondheid, jeugd en migratie, vormen samen ruim een derde van de stof, maar geen enkel thema is op zichzelf groot: elk krijgt ongeveer een achtste, net zoveel als Niveaus van analyse en sociale problemen of Onderzoeksvraag, betoog en argumentatie. Het echte verschil zit tussen de eerste twee weken en de rest. Interdisciplinariteit en integratie is samen met Academisch lezen en bronnen beoordelen het kleinste onderwerp van het vak, allebei ongeveer half zo groot als Gezondheidsverschillen en beleid. Met De drie thema's van ISW Utrecht en Het interdisciplinaire onderzoeksproces erbij beslaat dat begin een kwart van de stof. Klein in omvang, maar het is wel de taal waarin de andere zes onderwerpen geschreven zijn.

Zo pak je het aan: Zet de tien onderwerpen op een A4 en schrijf achter elk twee zinnen: wat het is en welke vraag het beantwoordt. Stok je bij Interdisciplinariteit en integratie, dan begin je daar, want die begrippen keren in elk ander onderwerp terug.

Puntenverdeling per onderwerp

Ruimte in de stof en punten lopen grotendeels gelijk op, met drie afwijkingen die de moeite waard zijn. Het interdisciplinaire onderzoeksproces hoort bij de kleinere onderwerpen, maar levert meer op dan zijn omvang belooft: de stappen, de valkuilen en de vier technieken voor common ground laten zich makkelijk in een korte vraag gieten. Niveaus van analyse en sociale problemen klimt om dezelfde reden naar de top en deelt die plek met Gezondheidsverschillen en beleid. De uitzondering de andere kant op is Integratie in de praktijk en de rol van de onderzoeker: een van de twee grootste onderwerpen in de stof, maar het zakt onder de drie thema's, want een stap voor stap uitgewerkt voorbeeld en een beschouwing over waardevrijheid vangen zich lastiger in een vraag.

Zo pak je het aan: Leer bij het onderzoeksproces en bij de niveaus elk begrip als een definitie van een zin plus een voorbeeld van een zin. In die vorm liggen daar de punten.

Moeilijkheidsgraad van de onderwerpen

Omvang en moeilijkheid vallen in dit vak niet samen. Niveaus van analyse en sociale problemen staat als enige bovenaan de schaal: micro, meso en macro, structuur tegenover handelen bij vier denkers, twee denkfouten die op elkaar lijken, en het schema van Coleman dat van macro naar micro en terug loopt. Vlak daaronder zitten Het interdisciplinaire onderzoeksproces, Onderzoeksvraag, betoog en argumentatie en Integratie in de praktijk en de rol van de onderzoeker. Het lichtst zijn De drie thema's van ISW Utrecht en Academisch lezen en bronnen beoordelen; die zijn met herhalen te doen. De drie themablokken zitten in het midden: veel materiaal, maar het leest bij de eerste keer al mee. Veel en zwaar zijn dus twee verschillende problemen, en je lost ze anders op.

Zo pak je het aan: Oefen de twee denkfouten door bij elke bewering te zeggen op welk niveau hij is gemeten en op welk niveau hij iets beweert. Lukt dat vlot, dan heb je het zwaarste onderdeel van het vak te pakken.

Waar leg je je prioriteit?

De matrix zet punten tegenover moeilijkheid, en de uitkomst valt bijna samen met de kalender. In het kwadrant Eerst leren staan precies de onderwerpen van de laatste weken: Niveaus van analyse en sociale problemen, Onderzoeksvraag, betoog en argumentatie, en Integratie in de praktijk en de rol van de onderzoeker. Zij leveren bovengemiddeld veel punten en vragen tegelijk het meeste denkwerk. De drie thema's staan bij Snelle punten: hetzelfde puntenniveau, minder denkwerk. Het interdisciplinaire onderzoeksproces is het enige onderwerp dat tijd kost zonder er bovengemiddeld veel voor terug te geven, en de rest van de eerste twee weken is bijvangst. Vervelend genoeg staat het zware deel dus achteraan, precies waar je tijd in de praktijk opraakt.

Zo pak je het aan: Plan achterstevoren en begin je tentamenweek bij week 6 in plaats van bij week 1. De eerste twee weken haal je later op, op een avond waarop je toch moe bent.

Je studieplan

De tijdverdeling ligt scherper dan de puntenverdeling, want hier telt moeilijkheid mee. Niveaus van analyse en sociale problemen is de grootste hap van allemaal en vraagt ongeveer drie keer zoveel tijd als Academisch lezen en bronnen beoordelen. Samen met Onderzoeksvraag, betoog en argumentatie en Integratie in de praktijk en de rol van de onderzoeker kost het slot van het vak twee vijfde van je studietijd. De drie thema's kosten samen iets meer dan een derde, en dat is minder dan zij aan punten opleveren: per uur haal je daar het meeste binnen. Het interdisciplinaire onderzoeksproces vraagt juist meer tijd dan zijn plek in de stof doet vermoeden. Heb je tien avonden, dan gaan er vier naar de weken 6 tot en met 8, ruim drie naar de thema's en de rest naar het begin.

Zo pak je het aan: Reserveer je eerste twee avonden voor Niveaus van analyse en sociale problemen en lees de overige weken pas daarna terug. Elk ander onderwerp wordt lichter zodra je de niveaus scherp hebt.

Kernbegrippen per onderwerp

Interdisciplinariteit en integratie

Discipline
Een vakgebied met een eigen studieobject, eigen methoden, eigen theorieën, een eigen gemeenschap van onderzoekers en een eigen opleiding, dus meer dan een onderwerp waar iemand veel van weet.
Disciplinair perspectief (disciplinary perspective)
Het geheel van meestal onuitgesproken aannames, begrippen en methoden waarmee een vak kijkt, dus niet het vak zelf maar de bril die bepaalt wat het ziet en wat het mist.
Multidisciplinair onderzoek
Meerdere vakken behandelen hetzelfde onderwerp naast elkaar en houden elk hun eigen inzicht, zodat er een verzameling deelantwoorden overblijft.
Interdisciplinair onderzoek
Meerdere vakken stemmen hun inzichten op elkaar af en voegen ze samen tot een breder begrip, dus het verschil met multidisciplinair zit in wat er met de inzichten gebeurt en niet in het aantal vakken.
Transdisciplinair onderzoek
Onderzoekers nemen ook kennis van buiten de universiteit mee, van beleidsmakers, professionals of bewoners, waar interdisciplinair werk binnen de wetenschap blijft.
Integratie (integration)
Het samenvoegen van inzichten uit twee of meer disciplines tot een begrip dat geen van die disciplines alleen kan leveren, en daarmee de handeling waar interdisciplinariteit mee staat of valt.
Complex vraagstuk (wicked problem)
Een probleem dat op meer dan een manier te formuleren is, met andere problemen samenhangt en geen definitief goed antwoord kent, terwijl een ingewikkelde vraag wel gewoon een juiste uitkomst heeft.
Perspectiefwisseling (perspective taking)
Een vraagstuk tijdelijk bekijken vanuit de aannames van een ander vak, ook als je die niet deelt, wat iets anders is dan alle verklaringen even goed vinden.

De drie thema's van ISW Utrecht

Psychologie
Het vak dat gedrag, denken en voelen van individuen verklaart uit persoonskenmerken, ontwikkeling en de directe omgeving, met als typische vraag waarom deze persoon dit doet.
Sociologie
Het vak dat samenlevingsverbanden bestudeert en verschillen tussen groepen verklaart uit posities, instituties en ongelijkheid, dus niet uit de persoon zelf.
Antropologie
Het vak dat cultuur bestudeert, dus de gedeelde betekenissen en gewoonten, meestal via langdurig veldwerk, en dat vraagt wat iets voor de mensen zelf betekent.
Interdisciplinaire sociale wetenschap
Sociale vraagstukken bestuderen door de inzichten van psychologie, sociologie en antropologie samen te voegen tot een verklaring, in plaats van drie verklaringen naast elkaar te zetten.
Thema Social policy and public health
Het zwaartepunt met de kernvraag hoe verschillen in gezondheid tussen groepen ontstaan en wat beleid daaraan kan doen.
Thema Youth studies
Het zwaartepunt met de kernvraag hoe jongeren opgroeien in een veranderende samenleving en wat dat betekent voor hun ontwikkeling en hun kansen.
Thema Migration, ethnic relations and multiculturalism
Het zwaartepunt met de kernvraag wat er met mensen en met een samenleving gebeurt wanneer mensen over grenzen verhuizen en met verschillende achtergronden samenleven.
Integratie (maatschappelijk)
Meedoen in de samenleving op school, op de arbeidsmarkt, in de politiek en in contacten, dus iets anders dan de integratie van Van der Gaast, die over het samenvoegen van disciplinaire inzichten gaat.

Het interdisciplinaire onderzoeksproces

Focusvraag
De vraag die het onderzoek stuurt, afgebakend in tijd, plaats en groep, en dus smaller dan het onderwerp maar breder dan wat een enkele discipline zelf al afhandelt.
Inzicht (insight)
Een uitspraak die een discipline over het probleem doet, gedragen door haar theorie en haar onderzoek, dus geen los feit en geen conclusie van jou.
Common ground
De gedeelde basis die de onderzoeker zelf maakt door begrippen of aannamen aan te passen, want gemeenschappelijke grond ligt er niet vanzelf.
Redefinitie
Een begrip opnieuw omschrijven zodat beide disciplines er hetzelfde mee bedoelen, de techniek voor een conflict dat in een woord zit.
Extensie
De betekenis van een begrip of theorie oprekken naar wat een discipline stilzwijgend buiten beschouwing liet, dus voor een verklaring die klopt maar te weinig dekt.
Organisatie
Inzichten die elkaar niet tegenspreken maar los van elkaar staan in een nieuw verband ordenen, bijvoorbeeld als oorzaken en gevolgen in een schema.
Transformatie
Twee tegengestelde aannamen omzetten in de uiteinden van een schaal, zodat een tegenstelling van of-of een kwestie van meer of minder wordt.
Omvattender begrip (more comprehensive understanding)
De verklaring waarin elke discipline een plaats heeft en te zien is hoe zij op elkaar inwerken, dus iets nieuws en geen samenvatting of optelsom.

Academisch lezen en bronnen beoordelen

Empirisch artikel
Het verslag van eigen, oorspronkelijk onderzoek met altijd een methodeparagraaf, en daarmee de plek waar nieuw bewijs vandaan komt.
Reviewartikel
Een overzichtsartikel dat samenvat en beoordeelt wat er al onderzocht is, dus zonder eigen dataverzameling; een meta-analyse vat die eerdere uitkomsten statistisch samen.
Handboek (leerboek)
Geordende, gecanoniseerde kennis voor studenten, het snelste pad naar adequate kennis van een vreemde discipline, al loopt het achter op het nieuwste onderzoek.
Grijze literatuur
Rapporten en beleidsstukken buiten de wetenschappelijke uitgeverijen, vaak actueel en over Nederland, meestal niet door vakgenoten beoordeeld en met een opdrachtgever die belang heeft.
Peer review
De beoordeling door vakgenoten voordat een tijdschrift publiceert, een kwaliteitscontrole en geen garantie dat de steekproef, de meting of de conclusie deugt.
Strategisch lezen
Je leesmanier laten volgen uit je doel, van oriënterend via globaal naar intensief, in plaats van elke publicatie van voor naar achter te lezen.
Sneeuwbalmethode
Vanuit een goede publicatie verder zoeken, achterwaarts via haar literatuurlijst en voorwaarts via wie haar citeert, naast het zoeken op trefwoorden in een databank.
Plagiaat
Werk, ideeën of formuleringen van een ander als eigen werk presenteren, wat ook zonder opzet gebeurt bij een parafrase zonder verwijzing of een figuur zonder herkomst.

Gezondheidsverschillen en beleid

Sociale gradiënt in gezondheid (social gradient in health)
Gezondheid wordt stapsgewijs beter naarmate de sociaaleconomische positie hoger is, dus geen kloof tussen arm en rijk maar een trap die tot bovenaan doorloopt.
Regenboogmodel (Dahlgren en Whitehead)
Een ordening van de oorzaken van gezondheid in lagen om het individu heen, van erfelijke aanleg tot wetgeving, die zelf niets verklaart maar dwingt te zeggen in welke laag een oorzaak of maatregel ligt.
Materiële verklaring
Verschillen ontstaan doordat een lagere positie minder geld, slechtere huisvesting en zwaarder of gevaarlijker werk meebrengt, dus uit middelen en omstandigheden.
Psychosociale verklaring
Verschillen ontstaan doordat een lagere positie langdurige stress geeft door weinig zeggenschap, onzekerheid en vergelijking met anderen, dus niet rechtstreeks uit geld en niet uit gedrag.
Gezondheidsselectie (health selection)
De gezondheid beïnvloedt de maatschappelijke positie, doordat wie ziek is moeilijker een opleiding afmaakt of werk houdt, precies de omgekeerde richting van sociale causatie.
Preventieparadox (Rose)
Een maatregel die voor een persoon weinig oplevert kan voor de bevolking veel opleveren, omdat de meeste gevallen uit de grote middengroep komen en niet uit de kleine groep met het hoogste risico.
Door interventies veroorzaakte ongelijkheid (intervention-generated inequalities)
Een maatregel verbetert de gemiddelde gezondheid en vergroot tegelijk het verschil tussen groepen, doordat wie tijd, geld en vaardigheden heeft het aanbod als eerste oppikt.
Proportioneel universalisme (Marmot)
Een voorziening die voor iedereen geldt met een inzet die toeneemt naarmate de nood hoger is, dus geen aparte regeling voor de laagste groep die stigmatiseert en weinig mensen bereikt.

Adolescentie en jeugdcultuur

Adolescentie
De sociale levensfase tussen kind en volwassene, waarvan de lengte en de verwachtingen per tijd en plaats verschillen, terwijl puberteit alleen het lichamelijke rijpingsproces eromheen is.
Emerging adulthood (Arnett)
De fase tussen ongeveer het achttiende jaar en het midden van de twintig in welvarende landen, met verkenning, instabiliteit, zelfgerichtheid, het gevoel er tussenin te zitten en veel mogelijkheden, dus geen fase die iedereen doorloopt.
Identiteitsstanden (Marcia)
Vier uitkomsten van de vragen of iemand verkend heeft en of hij zich heeft vastgelegd, waarmee de opgave die Erikson identiteit tegenover rolverwarring noemde te plaatsen is.
Dual-systems-model (Steinberg)
Risicogedrag piekt doordat het beloningssysteem vroeg gevoelig wordt en het controlesysteem jaren later rijpt, wat verklaart waarom jongeren wel weten wat riskant is en toch anders handelen.
Mesosysteem (Bronfenbrenner)
De verbindingen tussen de omgevingen waarin de jongere zelf meedoet, zoals contact tussen mentor en ouders, dus niet die omgevingen zelf en niet een omgeving waar hij nooit komt.
Subcultuur (subculture)
Een groep met een eigen stijl en eigen normen die afwijkt van de heersende cultuur, in het klassieke onderzoek gelezen als symbolisch verzet, waar neo-tribes en scenes juist op losse en wisselende verbanden wijzen.
Generatie (Mannheim)
Leeftijdsgenoten die dezelfde gebeurtenissen in dezelfde vormende levensfase meemaken en zich daarvan bewust zijn, wat een cohorteffect oplevert en niet het leeftijdseffect dat bij elke generatie terugkeert.
Contextinstorting (context collapse)
Publieken die in het dagelijks leven gescheiden blijven vallen online samen, zodat een bericht tegelijk voor vrienden, familie, klasgenoten en docenten moet kloppen.

Migratie en intergroepsrelaties

Netwerktheorie
Banden met eerdere migranten verlagen de kosten en risico's van vertrek, wat verklaart waarom migratie in vaste banen loopt, terwijl push- en pullfactoren alleen zeggen dat mensen weg willen of ergens heen.
Acculturatiestrategieën (Berry)
Vier uitkomsten van de vragen of iemand de eigen cultuur wil behouden en of hij contact wil met de samenleving: beide is integratie, alleen contact is assimilatie, alleen behoud is separatie en geen van beide is marginalisatie.
Dimensies van integratie
Meedoen valt uiteen in een structurele, een sociaal-culturele, een identificerende en een juridisch-politieke dimensie, en die lopen zelden gelijk op, dus zeg altijd welke je bedoelt.
Integratieparadox
Juist hoger opgeleide leden van de tweede generatie melden meer ervaren discriminatie en keren zich soms af, wat laat zien dat structureel stijgen iets anders is dan je thuis voelen.
Vooroordeel (prejudice)
Een meestal negatieve houding tegenover mensen om de groep waartoe zij gerekend worden, dus het voelen, waar een stereotype een overtuiging is en discriminatie het zichtbare gedrag.
Sociale-identiteitstheorie (Tajfel en Turner)
Mensen ontlenen hun zelfbeeld deels aan hun groepen en zetten die daarom gunstig af tegen andere, waarvoor geen botsend belang nodig is.
Realistische-conflicttheorie (Sherif)
Vijandigheid tussen groepen ontstaat uit concurrentie om schaarse zaken zoals banen of woningen, en zakt pas bij een doel dat geen van beide groepen alleen haalt.
Contacthypothese (Allport, 1954)
Contact vermindert vooroordelen mits er gelijke status, een gemeenschappelijk doel, samenwerking en steun van gezag is, want zonder die voorwaarden kan het een vooroordeel juist bevestigen.

Niveaus van analyse en sociale problemen

Analyseniveau (level of analysis)
De hoogte waarop je een verschijnsel bekijkt, van micro via meso naar macro, en daarmee een keuze van de onderzoeker en geen eigenschap van het onderwerp.
Handelen (agency)
Het vermogen van mensen om zelf te kiezen, betekenis te geven en anders te doen dan verwacht, tegenover structuur, de vaste patronen buiten het individu die zijn mogelijkheden vastleggen.
Sociaal feit (Durkheim)
Een manier van handelen, denken of voelen die buiten het individu bestaat en dwang op hem uitoefent, dus verklaren van buitenaf, waar Weber juist de zin begrijpt die mensen zelf aan hun handelen geven.
Structuratie (Giddens)
Structuur is tegelijk het middel waarmee mensen handelen en de uitkomst van dat handelen, een andere oplossing van dezelfde tegenstelling dan Bourdieu geeft met habitus, kapitaal en veld.
Ecologische drogreden (ecological fallacy)
Uit een verband tussen gebieden of groepen een verband bij individuen afleiden, waar de individualistische drogreden precies de omgekeerde stap zet.
Badkuip van Coleman
Het schema dat een macroverband verklaart via de omweg langs mensen, in drie stappen: de situatie die verandert, het handelen dat daaruit volgt en de optelsom die weer een uitkomst op macroniveau geeft.
Constructionistische benadering
Een sociaal probleem bestaat pas doordat mensen een conditie zo benoemen, en het onderzoek volgt dat claims-making, waar de objectivistische benadering de schade zelf meet.
Framing (Entman, 1993)
Bepaalde kanten van een kwestie uitlichten zodat een probleemdefinitie, een oorzaak en een oplossing vanzelfsprekend lijken, waar agendasetting alleen bepaalt waarover mensen nadenken.

Onderzoeksvraag, betoog en argumentatie

Probleemstelling
De omschrijving van wat er aan de hand is en waarom dat een probleem is, de stap tussen het onderwerp, waarmee nog niets te beantwoorden valt, en de onderzoeksvraag zelf.
Onderzoeksvraag
De ene volledige vraagzin die je stuk beantwoordt: afgebakend, onderzoekbaar, relevant en niet met ja of nee af te doen.
Deelvraag
Een kleinere vraag die een deel van de hoofdvraag beantwoordt, waarbij de deelvragen samen die hoofdvraag volledig dekken zonder elkaar te overlappen.
Beoordelende vraag
Een vraag die weegt of iets wenselijk is en daarvoor een maatstaf nodig heeft, waar een beschrijvende vraag laat zien dat iets bestaat en een verklarende vraag een mechanisme geeft.
Kernzin (topic sentence)
De eerste zin van een alinea, die zegt wat daar beweerd wordt, gevolgd door uitwerking, bewijs en een brug naar de volgende alinea.
Standpunt
Een bewering waarover je van mening kunt verschillen en die je met argumenten verdedigt of aanvalt, waar een mening een persoonlijke voorkeur is die niet te weerleggen valt.
Garant (warrant, Toulmin)
De meestal onuitgesproken regel die de gegevens met de claim verbindt, de bouwsteen die het vaakst wordt overgeslagen en waar twee vakgebieden werkelijk botsen.
Drogreden
Een redenering die op het eerste gezicht overtuigt maar de conclusie niet draagt, waarbij de fout in de stap van gegevens naar claim zit en niet in de vraag of de bewering waar is.

Integratie in de praktijk en de rol van de onderzoeker

Conflict tussen disciplinaire inzichten
De plek waar het integreren moet gebeuren, verstopt in een begrip met twee betekenissen, in een onuitgesproken aanname of in twee theorieën die niet tegelijk kunnen kloppen.
Waardevrijheid (Wertfreiheit, Weber)
Je eigen politieke of morele voorkeur mag niet als uitkomst van je onderzoek terugkeren, terwijl waardebetrokkenheid, je onderwerp kiezen omdat je het belangrijk vindt, wel is toegestaan.
Evidence-based beleid
Beleid dat wordt gekozen en bijgestuurd op grond van systematisch onderzoek naar wat werkt, waarbij onderzoek de middelen levert en de politiek beslist welk doel telt.
Policy-based evidence
Achteraf onderzoek zoeken dat een al genomen besluit ondersteunt, te herkennen aan een conclusie die vaststond voordat de gegevens er waren.
Geïnformeerde toestemming (informed consent)
De deelnemer weet wat er met hem en met zijn gegevens gebeurt, doet vrijwillig mee en mag stoppen, wat pas echt vrijwillig is als nee zeggen hem niets kost.
Tekortmodel (deficit model)
De aanname dat weerstand tegen een bevinding uit gebrek aan kennis voortkomt en met betere uitleg verdwijnt, terwijl mensen ook belangen, ervaringen en vertrouwen in de afzender meewegen.
Replicatie
Een onderzoek opnieuw uitvoeren om te zien of dezelfde uitkomst terugkomt, en sinds de replicatiecrisis de reden dat een losse bevinding een voorstel heet en geen bewijs.
Reflexiviteit
Rekenschap geven van je eigen positie, categorieën en grenzen, omdat de onderzoeker zelf meedoet aan het definiëren van het probleem dat hij bestudeert.

Waar het bij Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap meestal misgaat

Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.

Interdisciplinair afmeten aan het aantal vakken

Wat er misgaat: Een verslag met een psychologische, een sociologische en een antropologische paragraaf noem je interdisciplinair, want er zitten drie vakken in. Het aantal disciplines beslist bij jou welke vorm het is.

Hoe het wel moet: Kijk wat er met de inzichten gebeurt. Blijven ze naast elkaar staan, dan is het multidisciplinair, hoe goed elk stuk ook is. Pas als begrippen of aannamen zijn aangepast en er een verklaring uit komt die geen enkel vak alleen levert, is het interdisciplinair. Transdisciplinair voegt daar kennis van buiten de universiteit aan toe.

Waardoor het komt: De vier vormen worden als rijtje geleerd en het enige zichtbare verschil lijkt het aantal deelnemers. Een verslag met drie perspectieven voelt bovendien al als samenwerken, terwijl het samenvoegen juist het werk is dat daarna nog moet gebeuren: conflicten opsporen en een gemeenschappelijke basis maken.

Waaraan je het herkent: Je kunt de paragrafen van je verslag in een andere volgorde zetten zonder dat er iets sneuvelt. Of je beschrijving van een aanpak noemt wel welke vakken meedoen en wat elk vak zegt, maar niet of die uitspraken zijn samengevoegd.

Common ground zoeken in plaats van maken

Wat er misgaat: Je gaat op zoek naar wat twee disciplines toch al gemeen hebben, of je sluit een compromis waarin allebei een beetje gelijk krijgen. Common ground is bij jou iets wat er ligt en wat je vindt.

Hoe het wel moet: Common ground maak je zelf, door een begrip of een aanname zo aan te passen dat de inzichten op elkaar aansluiten. Stress wordt dan belasting die in de omgeving ontstaat en in het lichaam doorwerkt, en met dat ene begrip kunnen de psycholoog en de socioloog allebei verder. Het resultaat is geen midden tussen twee posities, maar een nieuwe formulering waar beide inzichten in passen.

Waardoor het komt: Het woord gemeenschappelijk suggereert overlap, en overlap is iets wat je aantreft. In gewoon Nederlands is een gedeelde basis vinden bovendien hetzelfde als het eens worden, dus lijkt toegeven op elkaars punt de oplossing. Wie het overlappende deel neemt, houdt juist het minste over: alles waarin de vakken van elkaar verschillen valt dan weg.

Waaraan je het herkent: In je stuk staat dat beide benaderingen een punt hebben of dat de waarheid in het midden ligt, en daarna volgt geen aangepast begrip. Of je kunt niet aanwijzen welke definitie je hebt herschreven en op welk punt.

De twee niveaufouten omdraaien

Wat er misgaat: Uit een verband tussen wijken leid je af hoe de bewoners stemmen, of uit gegevens over personen trek je een conclusie over hele samenlevingen. Welke van de twee drogredenen dat heet, gok je.

Hoe het wel moet: Kijk op welk niveau de gegevens zijn verzameld en op welk niveau de uitspraak staat. Van groepen naar individuen is de ecologische drogreden, die Robinson in 1950 liet zien. Van individuen naar groepen of samenlevingen is de individualistische drogreden. Verschillen die twee niveaus, dan heb je iets uit te leggen.

Waardoor het komt: Het woord ecologisch heeft in gewoon Nederlands met het milieu te maken en zegt niets over de richting van de stap, dus er valt weinig aan te onthouden. Daar komt bij dat de cijfers in beide gevallen gewoon kloppen: het is een redeneerfout en geen rekenfout, dus aan de gegevens zelf zie je niets vreemds.

Waaraan je het herkent: Je kunt zeggen wat er gemeten is, maar niet of dat per persoon of per gebied is gebeurd. Of je vult het woord ecologisch in omdat de casus over wijken, buurten of landen gaat, zonder te controleren welke kant de conclusie op stapt.

De garant tussen bewijs en conclusie overslaan

Wat er misgaat: Je zet een cijfer neer en trekt meteen je conclusie: zeventig procent van de eerstejaars in een vaste werkgroep voelt zich thuis, dus moet de universiteit werkgroepen verplichten. De regel die dat cijfer met die claim verbindt, blijft ongeschreven.

Hoe het wel moet: Schrijf de garant op: de regel die zegt waarom juist deze gegevens dit standpunt dragen. Bij Bert luidt die dat wie zich in een werkgroep thuis voelt dat dankzij die werkgroep doet, en niet doordat sociale studenten zich er vaker voor opgeven. Zodra de regel er staat, zie je of je haar met ondersteuning moet onderbouwen, of je claim moet nuanceren en welke weerlegging je moet bespreken.

Waardoor het komt: De garant deel je meestal met jezelf, dus hij voelt overbodig; hij hoort bij de aannamen die een vak nooit opschrijft. Juist daarom botsen twee disciplines er. Een psycholoog verbindt cijfers over schooluitval aan motivatie en zelfbeeld, een socioloog dezelfde cijfers aan inkomen en schooladvies. De gegevens zijn niet in strijd, de garanten wel.

Waaraan je het herkent: Tussen je bewijs en je conclusie staat het woord dus, en de zin die daartussen hoort krijg je niet opgeschreven. Of je maakt een argument sterker door er bronnen bij te zetten in plaats van door de tussenstap uit te leggen.

Bij botsende inzichten kiezen wie gelijk heeft

Wat er misgaat: Twee disciplines spreken elkaar tegen, dus jij zoekt uit welke van de twee klopt, waarna de andere uit je stuk verdwijnt. En als je toch integreert, kies je een techniek voor common ground omdat die je het handigst lijkt.

Hoe het wel moet: Een conflict is geen fout van een vak: binnen het eigen perspectief zijn beide inzichten onderbouwd. Benoem eerst waar het conflict zit, want daaruit volgt de techniek. Zit het in een woord, dan redefinitie. Dekt een theorie maar een deel van het probleem, dan extensie. Staan de inzichten los zonder elkaar tegen te spreken, dan organisatie. Sluiten twee aannamen elkaar uit, dan transformatie, waarmee je er de uiteinden van een schaal van maakt.

Waardoor het komt: Op school levert een tegenspraak meestal een juist en een onjuist antwoord op, dus voelt kiezen als denken. Daar komt bij dat het conflict zelden hardop wordt uitgesproken: het zit in begrippen, aannamen en theorieën. Wie het niet opzoekt, ziet alleen twee verhalen waarvan er een moet wijken.

Waaraan je het herkent: In je conclusie komt maar een discipline terug, terwijl je er twee of drie hebt gelezen. Of je noemt de techniek bij naam zonder te kunnen zeggen welk begrip of welke aanname je precies hebt aangepast.

Geconstrueerd lezen als verzonnen

Wat er misgaat: Bij de constructionistische benadering schrijf je dat een sociaal probleem niet echt bestaat of dat het door de media is opgeblazen. Huiselijk geweld wordt zo een kwestie van beeldvorming.

Hoe het wel moet: Wat geconstrueerd is, is de status van probleem: de erkenning, de naam en de eis om in te grijpen. De conditie zelf blijft bestaan. Huiselijk geweld gebeurde ook toen er nog geen woord voor was en geen opvang bestond; wat later kwam, was de erkenning. De objectivistische benadering meet de schade, de constructionistische volgt het definiëren, en Best laat zien dat je claims kunt bestuderen en tegelijk kunt toetsen aan wat bekend is.

Waardoor het komt: Construeren betekent in gewoon Nederlands in elkaar zetten, en daarmee al snel verzinnen. De strenge vorm van het constructionisme voedt dat beeld, want die zwijgt bewust over de toestand zelf. Wie dat verschil laat lopen, komt in een antwoord uit op relativisme dat in deze stof niemand verdedigt.

Waaraan je het herkent: In je antwoord staat onterecht, overdreven of niet echt, terwijl de vraag ging over hoe een conditie een probleem werd. Of je kunt bij een casus niet zeggen wie de claim maakte, met welk frame, en wie eigenaar van het probleem werd.

De vier eisen afvinken en de dubbele vraag missen

Wat er misgaat: Je onderzoeksvraag is afgebakend, onderzoekbaar, relevant en niet met ja of nee te beantwoorden, dus je begint te schrijven. Dat de vraag tegelijk vraagt hoe armoede de schoolprestaties beïnvloedt én wat de gemeente eraan moet doen, valt buiten je controle.

Hoe het wel moet: De vier eisen gelden samen en zijn nog niet genoeg. Controleer daarna of er één vraag staat en van welke soort. Beschrijven vraagt cijfers of waarnemingen, verklaren vraagt een mechanisme, beoordelen vraagt een maatstaf plus de weging van het geval daaraan. Zitten er twee soorten in, dan splits je: de tweede wordt een deelvraag of valt buiten je onderzoek.

Waardoor het komt: De eisen staan als lijstje in de stof, en een lijstje nodigt uit tot afvinken. Een dubbele vraag klinkt bovendien completer dan een enkele, terwijl zij twee soorten bewijs vraagt die je in één stuk zelden allebei levert. Een beoordeling vermomt zich daarbij makkelijk als beschrijving: de opvang schiet tekort klinkt feitelijk, maar er zit een norm in verstopt.

Waaraan je het herkent: In je vraag staat het woord en tussen twee vraagwoorden, of tussen een verklarend en een normatief deel. Of je conclusie beantwoordt de helft van je eigen vraag en de andere helft keert terug als aanbeveling die nergens is onderbouwd.

Selectie en causatie uit de samenhang aflezen

Wat er misgaat: Lager opgeleiden zijn minder gezond, dus concludeer je dat een lage positie ziek maakt. Dat dezelfde samenhang ook kan betekenen dat ziekte een opleiding en een baan in de weg zit, blijft buiten beeld.

Hoe het wel moet: Sociale causatie en gezondheidsselectie lezen hetzelfde verband in tegengestelde richting, dus je scheidt ze alleen met gegevens over de tijd: wat was er eerst? Het meeste onderzoek wijst uit dat causatie het zwaarst weegt, en dat selectie vooral telt bij ziekten die vroeg beginnen en het werken langdurig belemmeren. Noem in een antwoord dus beide richtingen en zeg welke hier vooropstaat.

Waardoor het komt: De gradiënt wordt in colleges en in beleid bijna altijd in één richting verteld, want de maatregelen die eruit volgen gaan over omstandigheden. Daar komt bij dat een samenhang zelf geen richting bevat: die zit in de volgorde in de tijd, en die staat niet in de tabel.

Waaraan je het herkent: Je gebruikt woorden als leidt tot, veroorzaakt of zorgt voor, terwijl je gegevens van één meetmoment komen. Of je kunt niet zeggen welke maatregel bij welke richting hoort: betere omstandigheden bij causatie, zieke mensen aan het werk houden bij selectie.

Integratie als één begrip gebruiken

Wat er misgaat: Je schrijft dat iemand goed geïntegreerd is, of je gebruikt integratie in hetzelfde antwoord voor het samenvoegen van disciplines en voor meedoen in de samenleving. Bij Berry noem je de strategie zonder de twee vragen eronder.

Hoe het wel moet: Zeg welke betekenis je bedoelt. Bij Van der Gaast is integratie het samenvoegen van inzichten uit disciplines. In dit thema is het een proces met twee partijen, meetbaar op een structurele, een sociaal-culturele, een identificerende en een juridisch-politieke dimensie die zelden gelijk oplopen. Bij Berry is integratie een van de vier acculturatiestrategieën: de eigen cultuur behouden én contact zoeken met de bredere samenleving, met het beleid van de ontvangende samenleving ernaast.

Waardoor het komt: Hetzelfde woord doet in deze cursus drie keer ander werk, en in beleid en publiek debat betekent het meestal eenrichtingsverkeer: de nieuwkomer past zich aan. Die vierde betekenis hoor je het vaakst, dus die glijdt vanzelf je antwoord in. Bij Berry telt bovendien dat behoud en contact twee losse vragen zijn; wie ze als één schaal leest, houdt alleen assimilatie en separatie over.

Waaraan je het herkent: In je antwoord staat integratie zonder dimensie erbij, of zonder de twee vragen van Berry. Of je beschrijft assimilatie terwijl je integratie bedoelt, omdat aanpassen het enige is wat er in jouw zin gebeurt.

Het mesosysteem verwarren met de school

Wat er misgaat: Je zet school, sportclub en buurt in het mesosysteem, omdat die tussen het gezin en de samenleving in liggen. Het exosysteem bewaar je voor alles wat groot en ver weg is.

Hoe het wel moet: Bij Bronfenbrenner telt of de jongere er zelf in meedoet. Gezin, klas en voetbalteam zijn microsystemen, de school dus ook. Het mesosysteem is de verbinding tussen die omgevingen, zoals het contact tussen mentor en ouders. Het exosysteem is een omgeving waar de jongere niet komt maar die hem wel raakt, zoals de ploegendienst van een ouder of het gemeentelijk jeugdbeleid.

Waardoor het komt: De niveaus micro, meso en macro uit week 1 dragen dezelfde namen, en daar is meso wél de groep of organisatie tussen individu en samenleving in. Bronfenbrenner gebruikt die woorden voor een andere indeling, en meso betekent in beide gevallen het midden, dus de twee schema's schuiven over elkaar heen.

Waaraan je het herkent: Je kunt bij een casus geen enkel mesosysteem noemen dat uit twee omgevingen bestaat. Of je plaatst een invloed in het exosysteem terwijl de jongere er dagelijks komt.

Nu weet je waar je moet beginnen

De samenvatting van Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.

Begin gratis met week 1 · Samenvatting Introductie Interdisciplinaire sociale wetenschap · Bekijk prijzen

Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.