De vragen en discussies die bij Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 35 vragen, waarvan 32 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Drie eisen maken theorie meer dan een mening. Zij is systematisch, want de uitspraken hangen met elkaar samen. Zij is empirisch geworteld, dus zij komt voort uit waarneming en kan daaraan sneuvelen. En zij is openbaar, dus anderen kunnen haar narekenen en bestrijden. Gezond verstand mist die laatste twee: het klopt vaak, maar het legt nooit uit waarom het zou kloppen en niemand kan het weerleggen.
Het praktische verschil merk je meteen. Zonder theorie verklaar je gedrag uit de persoon: Sjors haalt zijn punten niet, dus Sjors is lui. Met een begrip als sociale structuur kijk je naar het verband waarin Sjors zit, en verbind je zijn geval met duizenden andere.
Een theorie werkt als een lens: zij koopt zicht op het ene met blindheid voor het andere. De vraag is dus zelden of zij waar is, maar wat zij zichtbaar maakt en wat zij mist. Alleen schuift daarmee het probleem op. Wie beslist welk aspect van een casus het belangrijkste is, heeft dat oordeel niet uit de theorie zelf gehaald. Waar komt het dan vandaan?
Uitbuiting is bij Marx een verhouding, geen karaktertrek. De arbeider verkoopt zijn arbeidskracht, de enige waar die meer waarde voortbrengt dan zij zelf kost. Een deel van de dag verdient hij zijn loon terug, dat heet noodzakelijke arbeid; de rest van de dag werkt hij voor de eigenaar, en dat verschil is de meerwaarde. Die toe-eigening loopt door, ook als iedereen zich netjes aan de regels houdt en het contract vrijwillig getekend is.
Bob bezorgt maaltijden per rit. De fiets is van hem, maar de app, de klanten en de gegevens niet, en juist die bepalen of hij werk heeft. Dat hij het tarief aanvaardde, verandert de rekensom niet.
Niemand hoeft te liegen: de gewone gang van zaken produceert vanzelf beelden die haar bevestigen, en warenfetisjisme laat de prijs natuurlijk lijken terwijl het werk erachter onzichtbaar blijft. Maar daar wringt het. Als niemand het doet, hoe kan een klasse op zich dan ooit een klasse voor zich worden? Wat moet er gebeuren voordat mensen door hun eigen vanzelfsprekendheden heen kijken?
Werk in twee stappen, dan verwar je ze niet. Vraag eerst welke kracht in het geding is: integratie zegt hoe sterk iemand in een groep is opgenomen, regulering hoeveel die groep zijn verlangens begrenst. Vraag pas daarna of er te weinig of te veel van is.
Egoïstisch betekent te weinig integratie: de protestant staat er met zijn eigen bijbeluitleg alleen voor, waar de katholiek een gedeelde uitleg en een vast ritueel krijgt aangereikt. Anomisch betekent te weinig regulering: bij een plotselinge economische omslag valt de maat weg, in hoogconjunctuur net zo goed als in crisis. Wie meteen bij het type begint, kiest bijna altijd het verkeerde.
Durkheim ziet in de arbeidsdeling in beginsel samenhang, en noemt de ellende een afwijking die met regels en gelijke uitgangsposities te repareren valt. Marx kijkt naar dezelfde fabriek en ziet vervreemding die er ingebouwd zit. Beiden wijzen verklaringen af die bij het losse individu beginnen, dus dat verschil beslist niets. Waar zou je op moeten letten om te zien wie gelijk heeft?
Nee, en dat is precies de val. Zeg drie dingen. Ten eerste is de protestantse leefhouding bij Weber een bijdragende factor naast techniek, handel en bezit. Ten tweede was de uitkomst door niemand bedoeld: uit de zorg om het zielenheil groeide een economie die dat zielenheil niet meer nodig had. Ten derde spreekt hij van een verkiezende verwantschap, dus twee verschijnselen die elkaar versterken zonder dat het een het ander veroorzaakt.
Sluit af met de omkering. De religieuze wortel stierf af en de leefhouding bleef, zodat wat ooit een vrije keuze was dwang werd: wie niet meedoet in de markt verdwijnt.
Waardebetrokkenheid bepaalt wat je uit een oneindige werkelijkheid licht, waardevrijheid houdt je oordeel uit de analyse zelf. Alleen zit die eerste keuze al in je begrippen: een ideaaltype overdrijft bewust bepaalde kenmerken, en welke dat zijn heb je zelf gekozen. Blijft er dan iets over dat waardevrij heet, of verplaatst het oordeel zich naar een plek waar je het niet meer ziet?
Hobbes loste het probleem van de orde op met een sterke staat, en dat wijst Parsons af. Dwang verklaart hooguit waarom mensen zich even inhouden, niet waarom orde jarenlang standhoudt. Een berekening van eigenbelang voldoet evenmin, want wie rekent breekt een afspraak zodra dat loont.
Zijn antwoord loopt langs twee wegen tegelijk. Bij institutionalisering worden gedeelde waarden vertaald in normen en rollen; bij internalisering worden diezelfde waarden onderdeel van de persoon zelf. Werken beide, dan wil iemand precies doen wat zijn rol vraagt. Fleur geeft werkgroep en Bob komt voorbereid: niemand schreef dat ooit op, en toch loopt het uur.
Parsons zegt van wel: vrijheid en orde sluiten elkaar bij hem niet uit. Dennis Wrong noemde dat een overgesocialiseerd mensbeeld, want mensen voeren hier hun rol uit en betwisten haar zelden. Daar komt de cirkel bij: iets bestaat omdat het een functie vervult, en die functie leiden we af uit het bestaan. Welk geval zou de theorie dan niet achteraf kunnen verklaren?
Een latente functie is precies wat niemand bedoelde en niemand doorhad. Wie er een geheim plan van een machtige groep van maakt, verandert een analyse in een samenzwering. De regendans van de Hopi heeft als manifeste functie het opwekken van regen; die functie mislukt, en toch houdt het ritueel stand, want het brengt de groep samen.
Let ook op de tweede fout: latent betekent niet goed. Een onbedoeld gevolg kan schade aanrichten, en dan heet het een disfunctie. Alleen de netto balans van gunstige en ongunstige gevolgen, en dan voor een bepaalde groep, mag je conclusie dragen.
Hij verwerpt de aannames dat alles samenhangt, dat alles nut heeft en dat niets vervangbaar is. Met disfunctie en het functioneel alternatief kan hij zeggen dat iets goed uitpakt voor de ene groep en slecht voor de andere. Dat klinkt als de vraag die Mills en Dahrendorf stellen. Verklaart Merton dan hetzelfde als Parsons, of verklaart hij minder maar beter?
Omdat het beeld van Marx niet meer op de naoorlogse samenleving paste. Eigendom en zeggenschap groeiden uit elkaar: aandeelhouders bezitten, managers besturen. De arbeidersklasse viel uiteen in geschoolde en ongeschoolde groepen, er kwam een nieuwe middenklasse bij, en het conflict raakte ingebouwd in vakbonden en collectieve onderhandeling.
Dahrendorf concludeert daaruit niet dat het conflict verdwijnt, maar dat het elders zit. In elke imperatief gecoördineerde associatie, dus elk verband waarin sommige posities bevelen en andere gehoorzamen, ligt een breuklijn. Gezag hoort bij de positie en niet bij de persoon: Bert stuurt op zijn werk twintig mensen aan en zit in de avond in een bestuur zonder stem.
Dahrendorf verspreidt het conflict over vele verbanden, en conflictregulering legt er spelregels omheen: minder gewelddadig, niet minder fel. Marx had juist een optelsom nodig om van een quasi-groep een beweging te maken. Wie in tien verbanden iets anders te winnen heeft, sluit zich misschien nergens meer bij aan. Waar zou die opgetelde druk dan vandaan moeten komen?
Alles, en wie ze verwisselt geeft ongemerkt het antwoord van de moderniseringstheorie. Daarin doorloopt elk land dezelfde stappen en is een arm land een land dat nog niet zover is; het recept luidt dan kapitaal, technologie en de juiste houding.
Frank draait dat om met de ontwikkeling van onderontwikkeling. Onderontwikkeling is geen begintoestand maar een product: hetzelfde proces dat een handvol centra rijk maakte, maakte de rest arm, langs een keten van metropolen en satellieten waarin de opbrengst telkens naar boven stroomt. Let op de tweede valkuil: afhankelijkheid sluit groei niet uit. De vraag is wie de voorwaarden bepaalt en waar de winst blijft hangen.
Wallerstein zegt dat landen best van zone kunnen wisselen; wat volgens hem niet verandert is de verdeling zelf, want er is altijd een kern en altijd een periferie. Dat antwoord redt de theorie en maakt haar tegelijk lastig te weerleggen: een gebied heet periferie omdat het overschot afstaat, en het staat overschot af omdat het periferie is. Welke waarneming zou hem ongelijk geven?
De me is het deel van het zelf dat de verwachtingen van anderen heeft opgenomen; zij zegt hoe het hoort. De I is het spontane, onberekenbare antwoord van dit moment, en dat zie je pas achteraf. Het zijn geen twee delen van een persoonlijkheid, maar twee momenten in hetzelfde proces.
Daaruit volgt waar het Mead om gaat: sociale controle wordt zelfcontrole. Wie de houding van de groep in zich opneemt, houdt zichzelf in de gaten, ook als niemand kijkt. Pleun steekt in haar eerste werkgroep haar hand op zonder dat iemand haar die regel voorlas. Dat is de gegeneraliseerde ander aan het werk.
Een team bewaart daar samen het geheim van de voorstelling, dus ook achter de coulissen is publiek en zijn er regels. Goffman noemt mensen bovendien geen bedriegers: een rol goed spelen is de voorwaarde om samen een situatie te laten slagen. Blijft er dan een plek over waar niemand optreedt, en zou het iets uitmaken als die er niet is?
Drie momenten die tegelijk lopen. Bij externalisering brengen mensen met hun handelen en spreken een wereld voort. Bij objectivering komt die voortbrenging als vast feit tegenover hen te staan. Bij internalisering neemt een volgende generatie haar in zich op als vanzelfsprekendheid. Beslissend is de derde generatie: wie een instelling zag ontstaan weet dat het anders had gekund, wie haar aantreft hoort de wereld zoals die nu eenmaal is.
Geconstrueerd betekent dus niet onecht en ook niet vrij te kiezen. Wie zijn eigen maaksel voor een natuurding aanziet, doet aan reïficatie, en de gevolgen daarvan zijn hard.
Bij Garfinkel volgt niemand kant en klare normen: mensen maken in elke situatie opnieuw duidelijk wat er aan de hand is, en omdat regels nooit volledig zijn vullen zij onderweg aan. Toch reageerden omstanders bij zijn ontregelingen met ergernis en de eis om uitleg, dus iets lag wel degelijk vast. Zit dat vaste in de methoden zelf, of in wie ze mag afdwingen?
Bij een rol is er iemand die haar speelt. West en Zimmerman spreken van doing gender: iets wat mensen in elke situatie tot stand brengen en waarop anderen hen afrekenen, met achter de coulissen nog een speler, zoals bij Goffman.
Butler haalt die speler weg. Performativiteit zegt dat gender bestaat in het herhalen van handelingen, gebaren en stijlen, en dat juist die herhaling de indruk wekt dat er een vaste kern achter zit. De handeling brengt voort wat zij lijkt uit te drukken. Het is dus geen verkleedpartij die je in de ochtend kiest. En omdat het op herhaling berust, kan een herhaling ook mislukken of verschuiven.
Smith begint bij het dagelijks leven, omdat wie het werk doet verhoudingen ziet die van bovenaf onzichtbaar blijven. Collins voegt toe dat gender nooit alleen komt: posities kruisen elkaar en zijn niet op te tellen. Maar geeft ervaring vanzelf betere kennis? En als er geen aanwijsbare groep vrouwen bestaat, namens wie wordt er dan iets geëist?
Macht is bij hem geen bezit van een koning of een klasse, maar een verhouding die overal meeloopt, tussen arts en patiënt, docent en student. Zij houdt niet alleen tegen, zij brengt ook voort: kennis, categorieën, verlangens en manieren om jezelf te begrijpen. De psychiatrische patiënt en de delinquent zijn in die zin uitvindingen met een begin en een geschiedenis.
Het panopticum laat zien hoe dat werkt. Omdat je nooit weet wanneer je gezien wordt, gedraag je je alsof je altijd gezien wordt, en het toezicht werkt ook als de toren leeg staat. Bert klapt zijn telefoon dicht zonder dat iemand iets zegt.
Foucault zegt dat verzet niet van buiten de macht komt, want anders zou het nergens houvast hebben. Alleen ontbreekt daarmee een maatstaf: waarom zou de ene orde beter zijn dan de andere? Wie een indeling bestrijdt, gebruikt bovendien vaak diezelfde indeling. Wat blijft er over om onrecht onrecht te noemen, en heb je daar iets buiten Foucault voor nodig?
Ze lijken op elkaar en horen bij verschillende auteurs, dus houd ze uit elkaar. Instrumentele rede, bij Horkheimer en Adorno, gaat over de vorm van het denken: het vraagt alleen nog welk middel een doel het snelst bereikt, en niet meer of dat doel deugt. De rede rekent nog wel, maar oordeelt niet meer.
Eendimensionaal denken, bij Marcuse, gaat over het bereik: er wordt alleen nog binnen het bestaande systeem geredeneerd, zodat de vergelijking met wat zou kunnen zijn wegvalt. De eerste vraagt niet meer naar het doel, de tweede kent geen alternatief meer.
De ideale gesprekssituatie bestaat nergens; zij is de maatstaf die je veronderstelt zodra je overtuigt in plaats van overbluft. Bourdieu werpt tegen dat wie het beste spreekt ook het meeste cultureel kapitaal bezit, en Foucault dat kennis en macht samen ontstaan. Is die maatstaf dan nog bruikbaar als niemand hem ooit haalt?
Symbolisch geweld is het opleggen van maatstaven als vanzelfsprekend en legitiem, waarbij ook wie eronder lijdt ze aanvaardt. Er komt geen dwang aan te pas, en juist daardoor werkt het. De school beloont precies het culturele kapitaal dat sommige kinderen van huis meebrengen: woordenschat, leesgewoonten, het gemak om een vraag te stellen. Dat kapitaal geldt niet als bagage maar als talent.
Wie zakt en zichzelf dom noemt, voltrekt het oordeel dus zelf. Bob is de eerste in zijn familie die studeert, werkt harder dan Pleun en krijgt een lager cijfer, en niemand in de zaal noemt dat ongelijkheid.
Mensen verlangen meestal naar wat binnen hun bereik ligt, dus de ongelijkheid wordt van binnenuit bevestigd. Daar komt een tweede bezwaar bij: de habitus wordt uit gedrag afgeleid en verklaart daarna datzelfde gedrag. Giddens houdt vol dat mensen altijd anders kunnen. Is dat een echt meningsverschil, of leggen die twee de lat voor verandering ergens anders?
Giddens en Beck spreken van een late of tweede moderniteit. De twijfel richt zich bij hen op de moderniteit zelf: praktijken worden voortdurend herzien op grond van nieuwe kennis over diezelfde praktijken, en die kennis heft twijfel niet op maar verplaatst haar. Het project draait dus door, alleen scherper.
Lyotard en Baudrillard zien wel een breuk, omdat de rechtvaardiging zelf wegviel. Het metanarratief dat kennis in een lijn naar vooruitgang zette overtuigt niemand meer, en wetenschap kan zichzelf niet met wetenschap rechtvaardigen. Wat overblijft zijn taalspelen met elk hun eigen regels voor geldige kennis.
Ze storen zich weinig aan landsgrenzen en aan wie het goed heeft, dat is waar. Beck erkent tegelijk dat geld de gevolgen verzacht, en precies dat werpen critici hem tegen. Als de blootstelling gedeeld is maar de bescherming niet, verdeelt de risicomaatschappij dan werkelijk iets anders dan de industriële samenleving deed?
Ritzer beschrijft een vorm, geen menu en geen land. Vier beginselen van het fastfoodrestaurant breiden zich uit over onderwijs, zorg en toerisme: efficiëntie, dus de kortste weg van behoefte naar bevrediging; berekenbaarheid, waarbij hoeveelheid voor kwaliteit gaat; voorspelbaarheid, dus overal dezelfde ervaring; en beheersing van mensen via techniek en vaste scripts.
Daarmee is het rechtstreeks de erfgenaam van Webers rationalisering en zijn stalen omhulsel. Ritzer voegt er de onredelijkheid van het redelijke aan toe: systemen die op papier verstandig zijn, leveren wachtrijen, ontmenselijkend werk en verspilling op. Wie dat verband benoemt, doet meer dan voorbeelden opsommen.
Bij Castells krijgt een plaats haar waarde uit haar positie in stromen van geld, mensen en gegevens. Sassen laat zien dat verspreide productie centrale sturing vraagt, en die vraagt nabijheid: overleggen, vertrouwen, snel schakelen. Xena beheert vanuit Utrecht gegevens van klanten in vier landen, Bob rijdt voor een app zonder kantoor. Wie van beiden merkt dat afstand er niet meer toe doet?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving · Oefenen met Introductie maatschappijwetenschappen: de moderne samenleving · Bekijk prijzen