De vragen en discussies die bij Over de grenzen van disciplines horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 35 vragen, waarvan 32 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Omdat er drie eisen aan ontbreken. Wetenschappelijke kennis is systematisch (de begrippen zijn omschreven en de uitspraken hangen samen), methodisch (de werkwijze ligt vast en staat opgeschreven) en controleerbaar (een ander kan de redenering en de gegevens nalopen). Daar hoort openbaarheid bij: je publiceert zodat vakgenoten je kunnen aanvallen, en kennis geldt daarom altijd voorlopig.
Bob merkt in zijn werkgroep dat wie vooraan zit hogere cijfers haalt. Hij weet dus iets, maar niet hoeveel studenten hij bekeek en wat er nog meer meespeelde, bijvoorbeeld motivatie. Wie er wetenschap van maakt, legt vooraf vast hoe hij zitplaats en cijfer meet, en schrijft het zo op dat Fleur het kan overdoen.
Over Pleun zegt het in elk geval niets: wie de enkeling volgt, ziet toeval en vrije keuze. Op het niveau van de aantallen blijft regelmaat over, en Comte leest daarin een wetmatigheid. Maar Quetelet ontleende zijn rekenwijze aan de sterrenkunde, waar meetfouten zich net zo rond een gemiddelde verdelen. Wanneer wijst zo'n cijfer een verschijnsel aan, en wanneer maakt de rekenwijze er een?
Individualisme wil sociale verschijnselen uiteindelijk verklaren uit het handelen en de opvattingen van afzonderlijke mensen. Holisme zegt dat sociale gehelen eigenschappen hebben die niet uit individuen zijn af te leiden, en begint daarom bij het geheel. Weber staat aan de eerste kant, Durkheim aan de tweede.
Het is een methodische keuze, geen uitspraak over wat bestaat: ook een individualist erkent instituties, hij wil ze alleen opbouwen uit handelingen. Kies dus per vraagstuk en zeg erbij wat je wint en wat je laat liggen. Bij uitval onder eerstejaars levert het microniveau de motivatie en de bijbaan van Xena op, het macroniveau het bindend studieadvies en de woningmarkt.
Niet in de feiten, maar in de plek waar een verklaring mag beginnen. Dat lijkt klein tot je ziet wat eruit volgt: welk gegeven telt, welke methode past, en wat als eindpunt van een verklaring wordt aanvaard. Durkheim eist dat je een sociaal feit uit een ander sociaal feit verklaart, en dat is een verbod, geen voorkeur. Is zo'n verbod nog methodisch, of zit er toch een uitspraak over de werkelijkheid in?
Omdat een theorie die niets uitsluit ook niets riskeert. Freud verklaart de man die een kind verdrinkt uit verdringing en de man die datzelfde kind redt uit sublimering. Adler verklaart allebei uit een minderwaardigheidsgevoel. Elk denkbaar gedrag past, dus geen enkele waarneming brengt de theorie in verlegenheid.
Einstein staat er anders voor. Zijn theorie voorspelt dat zwaartekracht licht afbuigt, en was die afbuiging bij de meting van 1919 uitgebleven, dan was hij weerlegd geweest. Dat noemt Popper een gewaagde voorspelling. Hoe meer een theorie verbiedt, hoe meer zij zegt, en een bevestiging telt pas als zij het resultaat is van zo'n risico.
Elke waarneming veronderstelt een probleem, een belang en een verwachting. De opdracht om zonder meer te noteren wat je waarneemt is onuitvoerbaar: waarnemen wat? Wie een weerlegging vaststelt, kijkt dus al door een theorie. Dan is de vraag wat je opgeeft zodra de toets tegenvalt: de theorie zelf, of de aanname waarmee je haar gemeten hebt. Wanneer is die tweede keuze nog geen conventionalistische kunstgreep?
Omdat een afwijking eerst helemaal geen bezwaar heet. Normale wetenschap is puzzeloplossen: de oplossing staat vast, alleen de weg ernaartoe is de opgave. Wie de puzzel niet oplost, stelt zijn eigen vaardigheid ter discussie en niet het paradigma. Een anomalie wordt dus geparkeerd voor later of toegeschreven aan een meetfout.
Daar komt een hardere regel bij. Een paradigma wordt pas ongeldig verklaard als er een kandidaat klaarstaat om zijn plaats in te nemen: verwerpen en aanvaarden zijn één beslissing. Zou elke mislukte aansluiting tussen theorie en waarneming genoeg zijn, dan moest elke theorie op elk moment worden verworpen.
Kuhn noemt de omslag niet-cumulatief: er verdwijnen ook vragen en antwoorden die eerder vanzelf spraken. Begrippen verschuiven, massa betekent bij Newton iets anders dan bij Einstein, en zelfs de waarneming kantelt als bij een gestaltwisseling. Geen rekenregel beslist, dus wat overblijft is vertalen en overtuigen. Waaraan meet je dan af dat het nieuwe paradigma beter is en niet alleen jonger?
Nee, en dat verschil doet er wel toe. Verstehen is een navolgbare reconstructie, gebonden aan uitingen die een ander kan nalezen. Dilthey zet er een keten voor: Erlebnis is de geleefde ervaring, Ausdruck de vorm waarin die naar buiten komt (een gebaar, een brief, een wet), en Nacherleben de beweging waarmee je vanuit die uiting de beleving opnieuw voltrekt. Navoltrekken is meer dan gokken doordat mensen een wereld van betekenissen delen: taal, recht, zeden.
Zeg dus altijd waaruit je de betekenis afleidt. Mimi hoort in de opmerking dat een student er niet zoveel aan doet eerst luiheid. Na het hele interview, met een ziek familielid en een baantje van twintig uur, leest zij dezelfde zin als kiezen onder druk.
Zijn eis is dat je ze op het spel zet: de horizon van de tekst en die van de lezer moeten allebei verschuiven. Dat is geen procedure die je kunt aflopen, en de hermeneutische cirkel laat zich net zo goed sluiten rond je eigen beeld. Wat zou je in een interview moeten tegenkomen om te merken dat jouw voor-oordeel niet is verschoven?
Nee. Weber onderscheidt twee momenten. Waardebetrokkenheid bepaalt welk onderwerp je kiest en wat je daarin belangrijk vindt, want zonder waarden licht je niets uit de stroom van gebeurtenissen. Waardevrijheid geldt bij het onderzoeken en rapporteren: je voorkeuren mogen de uitkomst niet sturen en een waardeoordeel staat apart van de vaststelling van feiten.
Het scherpst trekt hij die lijn voor de collegezaal, waar de docent het laatste woord heeft en studenten niet kunnen terugpraten. Wat wetenschap wel kan, is drieledig: laten zien welke middelen bij een doel horen, welke nevengevolgen die hebben, en welke waarden je met een keuze aanvaardt. Kiezen doe je zelf.
Weerleggen kun je het niet, want het beweert niets: het vergroot een paar kenmerken eenzijdig uit en dient als meetlat. Toetsbaar zijn alleen de hypothesen die je ermee formuleert. Maar wie de meetlat kiest, bepaalt ook wat als afwijking verschijnt. Wanneer is een ideaaltype dan nog een instrument, en wanneer een paradigma dat je niet meer opmerkt?
De aanleiding was praktisch. Twee laboratoria deden hetzelfde experiment en kwamen met verschillende introspectieve verslagen, en niemand kon van buitenaf uitmaken wie gelijk had. Watson maakt daarom alleen waarneembaar gedrag tot onderwerp, opgevat als verband tussen prikkel en reactie. De winst is een controleerbare methode, met conditionering en dierexperiment als werkvorm.
De prijs is dat denken, taal en betekenis buiten de verklaring vallen. Let op de nuance: Skinner ontkent niet dat mensen denken, hij weigert innerlijke toestanden als zelfstandige oorzaak op te voeren. Innerlijke gebeurtenissen zijn bij hem zelf gedrag, te verklaren uit hun geschiedenis van bekrachtiging.
Je leidt de innerlijke stappen nu af uit reactietijden en fouten, dus zonder terugval in introspectie, en Chomsky liet zien dat bekrachtiging geen eindeloos nieuwe, geordende zinnen verklaart. Toch stuurt één vergelijking het hele programma: de mens als machine die invoer met opgeslagen regels bewerkt. Wat valt er buiten die vergelijking, en waaraan zou je dat merken?
Omdat het woord reductie drie verschillende aanspraken dekt. Ontologisch gaat over wat bestaat, methodologisch over waar je de verklaring bij voorkeur zoekt, en theoretisch over de vraag of de wetten van de ene theorie uit die van de andere volgen. Alleen die laatste eist dat begrippen op twee niveaus samenvallen, en juist die eis strandt.
De reden heet meervoudige realiseerbaarheid: hetzelfde verschijnsel komt door heel verschillende onderliggende processen tot stand. Faalangst ziet er bij Soof anders uit dan bij Bert, in hun lichaam en in hun hersenen, en toch is het bij allebei faalangst. Je kunt dus volhouden dat alles materie is en tegelijk vinden dat de psychologie eigen begrippen nodig heeft.
Strikt genomen weinig. Achter een klein gemiddeld effect kunnen twee groepen schuilgaan: Fleur gaat er sterk op vooruit, Sjors juist achteruit, en samen leveren zij een plusje. Wie alleen het gemiddelde rapporteert, adviseert de training ook aan Sjors. Diagnostiek en beleid werken met precies zulke groepscijfers. Wat moet je erbij weten voordat je een gemiddelde op een persoon toepast?
Durkheim koos zelfdoding juist omdat zij persoonlijk lijkt: vindt hij daar een sociale verklaring, dan geldt zijn methode overal. De cijfers verschillen stelselmatig tussen groepen, jaar na jaar, en dat laat zich niet uit stemmingen verklaren. Hij ordent ze op twee assen: integratie, hoe sterk een groep haar leden opneemt, en regulering, hoe sterk zij hun verlangens begrenst. Te weinig en te veel zijn allebei riskant, wat vier typen oplevert.
Let op wat hij daarmee wel en niet verklaart. Hij verklaart verschillen tussen groepstotalen, geen enkel geval. Wie die twee door elkaar haalt, leest zijn studie als psychologie.
Een keuzeverwantschap zegt dat het ene het andere versterkt zonder het voort te brengen, en Weber noemt de economische voorwaarden er uitdrukkelijk bij. Dat maakt zijn these zorgvuldig en tegelijk moeilijk vast te pakken. Popper zou vragen welke waarneming haar zou weerleggen. Wat zou er in de cijfers of in de bronnen moeten staan voordat jij die verwantschap laat vallen?
Bij Boas is het een werkwijze en geen moraal. Het zegt dat je een gewoonte begrijpt binnen het geheel waarin zij functioneert, in plaats van haar te meten aan je eigen normen. Dat is een uitspraak over hoe je iets verstaat, niet over hoe goed het is. Wie de twee door elkaar haalt, komt uit bij de stelling dat kritiek nooit mag.
Zeg dus altijd welk relativisme je bedoelt, het methodische of het morele. De aanleiding bij Boas was ook methodisch: hij brak de ladder van Morgan af, waarop volken treden bezetten, en liet zien dat gewoonten tussen groepen reizen en dat verschil geen achterstand is.
Haar voorstel is een etnografie van het bijzondere: schrijf over deze mensen, met hun naam, hun ruzies en hun keuzes. Daarmee verdwijnt het bezwaar van essentialisme, en tegelijk het begrip dat individu en maatschappij aan elkaar knoopt. Wikan laat zien wat er op het spel staat zodra cultuur in een rechtszaal een verklaring wordt die alles afsluit. Wat blijft er van jouw verklaring over als je het woord schrapt?
De omstandigheden waarin iemand opgroeide hebben zijn neigingen gevormd, en die neigingen bepalen op hun beurt wat hij aantrekkelijk of ondenkbaar vindt. De habitus werkt zonder berekening en zonder regel, als een gevoel voor het spel: een voetballer weet waar hij moet lopen. Daarmee is hij het scharnier tussen structuur en handelen, want de structuur bepaalt niets rechtstreeks maar zit al in de smaak waarmee je kiest.
In een werkgroep praat Soof met gemak, omdat thuis werd gediscussieerd en tegenspraak beleefd heette. Rob heeft dezelfde cijfers en wacht tot hij zeker weet dat zijn punt klopt. De docent noteert een sterke student. Geen verschil in talent, wel belichaamd cultureel kapitaal in actie.
Hij beweert zelf niet dat mensen aardiger werden, alleen dat zij zich anders inhouden, en op de twintigste eeuw antwoordt hij met decivilisatie: raakt het geweldsmonopolie zoek, dan draait het proces terug. Dat vangt het tegenvoorbeeld op en laat tegelijk de vraag staan hoe je hem nog kunt tegenspreken. Welke uitkomst zou zijn verhaal in verlegenheid brengen?
Eén letter, en daarin zit de hele zet van Giddens. Een dualisme zet twee zelfstandige zaken tegenover elkaar, zoals individu tegenover samenleving. Een dualiteit noemt twee kanten van hetzelfde verschijnsel. Structuur bestaat bij hem uit regels en hulpbronnen die mensen bij het handelen gebruiken, niet als gebouw buiten de mensen: zij is tegelijk het middel waarmee je handelt en de uitkomst van dat handelen.
Taal is het model. Je spreekt Nederlands dankzij regels die je niet zelf hebt gemaakt, en het Nederlands bestaat alleen doordat mensen het spreken. Elke zin bevestigt de regels of duwt ze een stukje op. Zo werkt volgens Giddens ook een tentamenregeling of een werkverdeling.
Dat is precies het verwijt: de twee schuiven zo in elkaar dat er weinig te vergelijken valt. Zijn eigen begrippen bieden houvast. Onbedoelde gevolgen laten zien hoe handelen een structuur in stand houdt zonder dat iemand dat wil, en de dubbele hermeneutiek laat zien hoe je begrippen terugkeren in het veld dat je onderzoekt. Maar wat zou je moeten waarnemen om te zien of een praktijk verschuift of juist stolt?
Omdat communalisme de vinder verplicht zijn resultaat weg te geven aan het vak. Verkopen kan dus niet, en wat overblijft is erkenning door vakgenoten: je naam onder het artikel, citaten, een eponiem, een prijs, een leerstoel. Publiceren is de enige manier om te bezitten wat je weggeeft.
Daaruit volgen de conflicten. Wie tweede is krijgt niets terwijl hij hetzelfde werk deed, en dat verklaart de prioriteitsstrijd, tot Newton tegen Leibniz aan toe. Het levert ook tegenstrijdige eisen op: publiceer snel maar wees zeker, deel je gegevens maar bescherm je voorsprong. Luna die haar bestand dichthoudt tot haar artikel is aanvaard, is geen slechte collega, zij volgt de beloning.
Mitroff noemt hen niet hypocriet, want de tegen-normen hebben een functie. Wie zijn theorie laat vallen bij het eerste tegenvallende resultaat, geeft haar nooit de kans zich te bewijzen, en de meting kan zelf fout zijn. Het ethos wordt daarmee een repertoire in plaats van een reglement. Waaraan zie je dan nog dat iemand een norm overtreedt en niet gewoon de andere kant van het repertoire kiest?
Bij fabricatie en vervalsing worden gegevens verzonnen of verdraaid. Twijfelachtige onderzoekspraktijken doen dat niet, zij vergroten alleen de kans op een vals positief. Je verzamelt door tot de toets net significant wordt, laat een conditie weg die niet meewerkt, streept uitschieters weg of voegt een controlevariabele toe. Elke stap is op zichzelf verdedigbaar, samen krijg je vrijwel elke hypothese bevestigd.
Fleur en Rob meten twaalf uitkomsten, vinden er één significant en zetten die bovenaan alsof zij hem vooraf hadden voorspeld. Dat heet HARKing. Er is niets verzonnen, en toch is de kans op toeval veel groter dan hun p-waarde suggereert.
Het idee is dat normen zich niet op karakter redden: twijfelen is werk, en zolang alleen nieuwe vondsten worden beloond doet niemand het. Registers, tijdschriften en beoordelingsregels moeten dat werk aantrekkelijk maken. Maar het pad met vele vertakkingen laat zien dat ook een eerlijke onderzoeker zijn analyse kiest in reactie op zijn gegevens. Wie leest zo'n registratie achteraf terug, en wat gebeurt er als niemand dat doet?
Op vier punten. Het verificatiebeginsel valt onder zijn eigen oordeel: het is niet te verifiëren en het is geen logische waarheid. Popper verschoof de vraag van betekenis naar status, met falsifieerbaarheid als criterium, zodat onwetenschappelijk niet langer zinloos betekent. Er blijkt geen neutrale waarnemingstaal te bestaan, en bij Kuhn verschuift met het paradigma zelfs wat je ziet. En de beloofde afleiding van hoog naar laag is nergens voltooid, wat meervoudige realiseerbaarheid verklaart.
Bob meet cortisol en slaapduur, Luna praat met studenten over het bindend studieadvies. Bestond die ene taal, dan kon Bob zijn uitkomst omrekenen naar die van Luna. Dat lukt niet, en toch hebben zij elkaar iets te vertellen.
De grens is dat elke beschrijving gebonden blijft aan de gegevens en aan controleerbaarheid, en pluralisme voegt geen tweede soort stof toe: het gaat samen met ontologisch monisme. Toch levert dat nog geen maatstaf waarmee je twee beschrijvingen tegen elkaar afweegt. Waaraan zie je dat een beschrijving op haar eigen niveau tekortschiet en niet alleen iets anders doet?
Zodra er integratie is. Multidisciplinair werk laat elk vak zijn eigen deel doen, en het resultaat is een rapport met losse hoofdstukken. Bij integratie worden de inzichten zo op elkaar betrokken dat er één begrip van het vraagstuk ontstaat dat geen vak alleen kon leveren. Het verschil zit dus in de uitkomst, niet in het aantal vakken.
Daarvoor is gemeenschappelijke grond nodig: begrippen herdefiniëren, uitrekken, aannames zichtbaar maken en de inzichten ordenen naar niveau. Alex heeft cijfers over hoe vaak studenten contact hebben, Fleur interviews waarin zij zeggen dat zij er wel bij horen maar niemand echt kennen. Integratie begint zodra zij samen vaststellen wat eenzaamheid hier betekent.
Optellen kan niet, want de gemeenschappelijke maatstaf ontbreekt. Kuhn laat wel een uitweg open: vertalen en overtuigen blijven mogelijk, dus integratie is zwaar werk en geen onmogelijkheid. De vraag is wie beoordeelt of de vertaling geslaagd is, als er per definitie geen vakgenoot van beide kanten bestaat. Aan welke eis zou zo'n oordeel moeten voldoen?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Over de grenzen van disciplines · Oefenen met Over de grenzen van disciplines · Bekijk prijzen