ISW jaar 2 · UU (ODG)
Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Over de grenzen van disciplines doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.
Deze pagina gaat niet over de stof zelf, maar over hoe die stof weegt voor de toetsing. De twaalf onderwerpen van Over de grenzen van disciplines zijn gewogen op ruimte in de samenvatting, denkwerk en hoe goed ze zich laten bevragen. Je wordt getoetst met twee deeltoetsen in Remindo, gesloten boek, met korte open vragen waarin je uitlegt en toepast. Deeltoets 1 ligt achter je. Daarom legt deze analyse bewust de nadruk op deeltoets 2 van 26 oktober: de stof van week 5 tot en met 7 telt volledig mee, net als OdG H8 en het essay van Bos, die bij beide toetsen horen. De onderwerpen die alleen bij deeltoets 1 horen tellen voor ongeveer een derde, omdat ze nog gelden voor wie herkanst.
| Onderwerp | Aandeel in de stof | verwachte punten | Moeilijkheid | Studietijd |
|---|---|---|---|---|
| Wetenschap, kennis en ethos | 5% | 5% | 3 van 5 | 5% |
| Disciplinevorming en boundary work | 9% | 9% | 3 van 5 | 8% |
| Interdisciplinariteit | 8% | 7% | 4 van 5 | 8% |
| Popper en Kuhn | 9% | 10% | 4 van 5 | 10% |
| Ontologie en epistemologie | 5% | 6% | 4 van 5 | 7% |
| De taak van de wetenschapper | 9% | 8% | 3 van 5 | 8% |
| Vrije meningsuiting en debat | 12% | 11% | 4 van 5 | 11% |
| Waardigheid en veiligheid | 12% | 11% | 3 van 5 | 10% |
| Ethische theorieën en gedragscodes | 8% | 9% | 3 van 5 | 8% |
| Crisis en perverse prikkels | 8% | 8% | 2 van 5 | 7% |
| Evidence-based onderwijs | 8% | 8% | 4 van 5 | 9% |
| Fronetische sociale wetenschap | 7% | 8% | 4 van 5 | 9% |
Week 5 is het zwaartepunt van wat er nog komt. Vrije meningsuiting en debat en Waardigheid en veiligheid zijn samen de grootste onderwerpen, en met De taak van de wetenschapper erbij beslaat die ene week een derde van de gewogen stof. Elk van die twee is ruim twee keer zo groot als de kleinste onderwerpen, Wetenschap, kennis en ethos en Ontologie en epistemologie. Tel je alle stof van week 5 tot en met 7 op, dan kom je op bijna twee derde. Disciplinevorming en boundary work en Interdisciplinariteit, de twee onderwerpen die bij beide toetsen horen, vullen samen nog eens ongeveer een zesde. Popper en Kuhn is ondanks de lagere weging nog even groot als De taak van de wetenschapper, simpelweg omdat het in de stof zoveel ruimte inneemt.
Zo pak je het aan: Schrijf voor de vier teksten van week 5 per auteur in twee zinnen op wat zijn of haar stelling is en met welk begrip die staat of valt. Kun je Whittington, Hill, Nature Human Behaviour en Harless zo uit elkaar houden, dan heb je een derde van de stof in handen.
Punten en omvang lopen grotendeels gelijk op, met een paar verschuivingen die passen bij korte open vragen. Vrije meningsuiting en debat en Waardigheid en veiligheid blijven samen bovenaan. Popper en Kuhn klimt vlak achter die twee, omdat falsificatie, demarcatie en paradigma scherpe begrippen zijn die zich makkelijk laten bevragen, maar die punten tellen alleen voor wie deeltoets 1 herkanst. Ethische theorieën en gedragscodes en Fronetische sociale wetenschap leveren iets meer op dan hun omvang: drie theorieën op een casus toepassen of de vier vragen van Flyvbjerg noemen is precies de vorm van een vraag van twee of drie punten. De taak van de wetenschapper en Interdisciplinariteit zakken juist iets, want een beschouwing over betrokkenheid of over wat integratie is, vang je lastiger in een korte vraag. Alles bij elkaar ligt ruim drie kwart van de verwachte punten bij deeltoets 2.
Zo pak je het aan: Oefen Ethische theorieën en gedragscodes met één casus en drie korte alinea's: wat zegt het consequentialisme, wat zegt de deontologie, wat zegt de deugdethiek. Zo'n vraag is gesloten boek in vijf minuten te doen als het schema vastzit.
Geen enkel onderwerp staat bovenaan de schaal, maar zes onderwerpen vragen duidelijk meer denkwerk dan de rest. Bij deeltoets 2 zijn dat Vrije meningsuiting en debat, Evidence-based onderwijs en Fronetische sociale wetenschap, plus Interdisciplinariteit dat bij beide toetsen hoort. Ze hebben iets gemeen: de auteur bouwt een betoog op met een onderscheid dat je moet kunnen navertellen en toepassen, zoals debatfetisjisme bij Hill, techne tegenover phronesis bij Biesta, het epistemische tegenover het fronetische model bij Flyvbjerg, en multidisciplinair tegenover interdisciplinair bij Repko. Waardigheid en veiligheid, Ethische theorieën en gedragscodes en Disciplinevorming en boundary work zitten in het midden: veel begrippen, maar ze liggen helder naast elkaar. Crisis en perverse prikkels is het lichtst van het vak en vraagt vooral herkennen.
Zo pak je het aan: Vat bij Biesta en Flyvbjerg het betoog samen in drie stappen: wat de tegenstander beweert, waarom dat niet klopt, wat de auteur ervoor in de plaats zet. Een open vraag over deze teksten vraagt bijna altijd een van die drie stappen.
De matrix zet punten tegenover moeilijkheid. In het kwadrant Eerst leren staan Vrije meningsuiting en debat en Popper en Kuhn: veel punten en veel denkwerk. Voor deeltoets 2 is Vrije meningsuiting en debat dus je begin, Popper en Kuhn is alleen dringend als je herkanst. Snelle punten zijn Waardigheid en veiligheid, Ethische theorieën en gedragscodes en Disciplinevorming en boundary work: bovengemiddeld veel punten voor gemiddeld denkwerk. Bij Kost tijd staan Evidence-based onderwijs, Fronetische sociale wetenschap, Interdisciplinariteit en Ontologie en epistemologie. Die leveren gewone punten op, maar je komt er niet met herhalen. Bijvangst zijn De taak van de wetenschapper, Crisis en perverse prikkels en Wetenschap, kennis en ethos: lees ze, maar besteed er niet je beste avonden aan.
Zo pak je het aan: Begin bij de snelle punten van Harless en het redactioneel van Nature Human Behaviour: drie soorten veiligheid en het verschil tussen nederig maken en vernederen zijn in een avond vast te zetten. Daarna heb je ruimte voor het zwaardere werk.
Tot 26 oktober heb je ruim twee weken. De tijdverdeling ligt dicht bij de puntenverdeling, maar moeilijkheid duwt een paar onderwerpen omhoog. Week 5 vraagt bijna een derde van je studietijd, met Vrije meningsuiting en debat als grootste blok van allemaal. Week 7 komt daarna: Evidence-based onderwijs en Fronetische sociale wetenschap kosten samen iets meer dan heel week 6. Een volgorde die werkt: de eerste vijf dagen week 5, dan vier dagen week 7, dan drie dagen week 6, dan twee dagen OdG H8 en het essay van Bos, en de laatste dagen oefenen met korte vragen zonder boek. Wetenschap, kennis en ethos is het kleinste blok en kan er op een losse avond bij. Het debat in de werkgroep vraagt iets anders: een stelling verdedigen en direct reageren, en dat oefen je hardop.
Zo pak je het aan: Sluit elk blok af met een zelfgemaakte oefentoets van vier vragen van twee of drie punten, en beantwoord ze zonder samenvatting op tafel. Wat je dan niet kunt uitleggen, komt terug in de laatste dagen.
Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.
Wat er misgaat: Je schrijft dat Whittington vrije meningsuiting belangrijker vindt dan inclusiviteit, alsof hij in de peilingen van Gallup en de Knight Foundation voor de ene kant kiest.
Hoe het wel moet: Volgens Whittington botsen ze niet: diversiteit en vrije meningsuiting zijn twee voorwaarden voor dezelfde missie, kennis vergroten en doorgeven. Daarom geeft hij drie taken: overtuigen, socialiseren en regels goed inrichten.
Waardoor het komt: Het debat dat hij bespreekt draait om welke waarde voorrang krijgt, en zijn kritiek op safe spaces en bias response teams lijkt die keuze te bevestigen. Maar juist die tegenstelling noemt hij een vergissing.
Waaraan je het herkent: In je antwoord staat bij Whittington een woord als "voorrang", "afweging" of "ten koste van".
Wat er misgaat: Je schrijft dat Harless studenten wil beschermen tegen ideeën die hen ongemakkelijk maken of hun overtuigingen aantasten.
Hoe het wel moet: De collegezaal is volgens Harless veilig voor je waardigheid en bewust intellectueel gevaarlijk voor je denken. Met Callan toets je het verschil: een idee dat je nederig maakt is groei, een idee dat je vernedert schendt je waardigheid.
Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik betekent "veilig" dat je nergens last van hebt. Harless onderscheidt juist waardigheidsveiligheid, die de collegezaal moet bieden, van intellectuele veiligheid, die hij juist niet moet bieden.
Waaraan je het herkent: Je gebruikt bij Harless "veiligheid" zonder te zeggen welke van de drie soorten je bedoelt, of je laat het verschil tussen nederigheid en vernedering weg.
Wat er misgaat: Je schrijft dat Biesta onderzoek nutteloos vindt, of juist dat onderzoek volgens hem kan vertellen welke aanpak in een klas werkt.
Hoe het wel moet: Onderzoek vertelt wat werkte, niet wat werkt: het levert hypothesen voor intelligent handelen en geen regels. Het ondersteunt het oordeel van de docent en vervangt het niet, en het kan naast de technische ook een culturele rol spelen.
Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik is evidence hard bewijs voor de toekomst. Biesta zegt met Dewey dat onderzoek gerechtvaardigde beweringen oplevert over het verband tussen wat we deden en wat volgde.
Waaraan je het herkent: Je schrijft "bewezen effectief" of "Biesta is tegen experimenten", of je vergeet bij effectiviteit de vraag: effectief waarvoor?
Wat er misgaat: Je schrijft dat Hill tegen het debat of tegen vrije meningsuiting is, omdat hij de critici van safe spaces van debatfetisjisme beschuldigt.
Hoe het wel moet: Hill vindt debat nuttig, maar één stuk gereedschap naast andere vormen van communicatie. Hij brengt vrije meningsuiting in balans met verantwoordelijkheid tegenover wie nauwelijks gehoord wordt, en ziet in een safe space een ruimte waar erkenning de regel is in plaats van debat.
Waardoor het komt: Het woord fetisjisme klinkt als een verwerping van het debat zelf. Hill bekritiseert echter het debat als enige vorm van communicatie, waarbij de ongelijke sociale verhoudingen achter de woorden uit beeld verdwijnen.
Waaraan je het herkent: Je antwoord zegt dat Hill debat "verbiedt" of "afschaft", of je noemt Hill en Whittington allebei tegenstanders van vrije meningsuiting.
Wat er misgaat: Je schrijft dat Nature Human Behaviour onderzoek weigert dat deelnemers schaadt, of dat goedkeuring door een ethische commissie een artikel veilig stelt.
Hoe het wel moet: Het gaat om indirecte schade, die ontstaat door de publicatie, zoals het stigmatiseren van een groep. De vier weigercriteria gelden los van de wetenschappelijke kwaliteit en los van een eerdere goedkeuring door een ethische commissie, en Soof die migratieachtergrond als variabele gebruikt moet die indeling daarom verantwoorden.
Waardoor het komt: Bekende onderzoeksethiek gaat over de mensen in een onderzoek en wordt vooraf door een commissie getoetst. Het redactioneel vult juist het gat daarnaast: de mensen over wie het onderzoek gaat.
Waaraan je het herkent: In je antwoord over het redactioneel komen alleen proefpersonen of de commissie voor, en niet de groep waarover gepubliceerd wordt.
Wat er misgaat: Je schrijft dat publish or perish en perverse prikkels volgens Bos leiden tot fraude en een vloed van slecht onderzoek.
Hoe het wel moet: Bos stelt dat publicatiedruk niet aantoonbaar tot fraude leidt, maar wel de publicatienormen veranderde. Perverse prikkels hangen samen met ongewenste trends zoals adjunctificatie en het Matthew-effect, die de onderzoeksethiek indirect raken; daarom kijkt hij met een systeembenadering naar het geheel.
Waardoor het komt: De voorbeelden van salami slicing en gift authorship maken die conclusie aantrekkelijk. Maar Fanelli en Larivière vonden dat de productiviteit per hoofd stabiel bleef, en Bos trekt zelf die conclusie niet.
Waaraan je het herkent: Je antwoord bevat een rechtstreekse pijl van publicatiedruk naar fraude, zonder het woord "indirect" of de systeembenadering.
Wat er misgaat: Je schrijft dat de sociale wetenschap volgens Flyvbjerg nog geen voorspellende theorie heeft omdat ze jong of te complex is, en dat fronetisch onderzoek een tussenoplossing is tot het zover is.
Hoe het wel moet: Een voorspellende sociale theorie komt er volgens Flyvbjerg niet, omdat mensen zichzelf interpreteren en natuurverschijnselen niet. Fronetische sociale wetenschap is sterk waar de natuurwetenschap zwak is: zij analyseert waarden en macht met vier waarderationele vragen en voedt het publieke debat.
Waardoor het komt: Dat is precies de positie van Laitin, die een beroep op context een uitvlucht noemt. Flyvbjerg weerlegt die: context bestaat uit oordelen die zich niet in regels laten vangen, en sociale verschijnselen praten terug.
Waaraan je het herkent: Je gebruikt bij Flyvbjerg woorden als "nog niet", "pre-paradigmatisch" of "later wel", of je verwart scientistisch met wetenschappelijk.
Wat er misgaat: Je noemt een onderzoek interdisciplinair zodra er mensen uit meerdere disciplines aan meewerken, zoals het team dat elk een deel van alcoholgebruik onder minderjarigen onderzoekt.
Hoe het wel moet: Interdisciplinariteit vraagt verregaande integratie: perspectieven in kaart brengen, hun zwakke plekken zoeken en integreren via contextualiseren, conceptualiseren of probleemgerichtheid. Sociaal kapitaal is zo'n nieuw begrip dat tot geen van beide disciplines terug te brengen is.
Waardoor het komt: In gewone taal betekent interdisciplinair "met meerdere vakken". Bij Repko is dat multidisciplinariteit: inzichten naast elkaar, zonder gevolgen voor methode of begrippen.
Waaraan je het herkent: Je antwoord eindigt met een stapel losse uitkomsten per discipline en niet met één nieuw antwoord of begrip.
Wat er misgaat: Je noemt het verzinnen van data een schending van de onderzoeksethiek, of het breken van beloofde anonimiteit een kwestie van integriteit.
Hoe het wel moet: Integriteit gaat over hoe jij als onderzoeker werkt, je morele principes en professionele standaarden, vaak rond methode en procedure. Onderzoeksethiek gaat over hoe je met je deelnemers omgaat: hen beschermen, hun rechten borgen en vertrouwelijkheid bewaken.
Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik betekenen beide woorden ongeveer "netjes werken". Bos maakt er twee aparte begrippen van, met elk een eigen bewaker: ethische commissies voor de ethiek, ombudspersonen en klachtencommissies voor de integriteit.
Waaraan je het herkent: Je gebruikt de twee woorden in één zin als synoniemen, of je kunt bij een casus niet zeggen welke instantie erover gaat.
Wat er misgaat: Je legt demarcatie en boundary work in één zin uit als "een grens trekken" en past daarna geen van de vier criteria toe.
Hoe het wel moet: Leg de twee los uit en laat boundary work zien langs inhoudelijke plaatsbepaling, institutionalisering, financiering en legitimering. Bij Freud is dat bijvoorbeeld eigen begrippen over het onbewuste, eigen tijdschriften, betaling via de verzekering en de "Freudiaanse verspreking" in de spreektaal.
Waardoor het komt: Beide begrippen gaan over grenzen en worden in het college samen gebruikt. Demarcatie is het bepalen van plaats, vorm en grens; boundary work is het werk waarmee een discipline zich vervolgens afschermt tegen invloeden van buitenaf.
Waaraan je het herkent: Je antwoord noemt geen tijdschrift, leerstoel, geldstroom of erkenning, terwijl de vraag een discipline als voorbeeld geeft.
De samenvatting van Over de grenzen van disciplines volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.
Begin gratis met week 1 · Samenvatting Over de grenzen van disciplines · Bekijk prijzen
Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.