ISW jaar 2 · UU (ODG)

Tentamenanalyse Over de grenzen van disciplines

Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Over de grenzen van disciplines doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.

Deze pagina gaat niet over de stof zelf, maar over hoe die stof weegt voor de toetsing. De twaalf onderwerpen van Over de grenzen van disciplines zijn gewogen op ruimte in de samenvatting, denkwerk en hoe goed ze zich laten bevragen. Je wordt getoetst met twee deeltoetsen in Remindo, gesloten boek, met korte open vragen waarin je uitlegt en toepast. Deeltoets 1 ligt achter je. Daarom legt deze analyse bewust de nadruk op deeltoets 2 van 26 oktober: de stof van week 5 tot en met 7 telt volledig mee, net als OdG H8 en het essay van Bos, die bij beide toetsen horen. De onderwerpen die alleen bij deeltoets 1 horen tellen voor ongeveer een derde, omdat ze nog gelden voor wie herkanst.

Onderwerpen van Over de grenzen van disciplines naar aandeel, verwachte punten, moeilijkheid en studietijd
OnderwerpAandeel in de stofverwachte puntenMoeilijkheidStudietijd
Wetenschap, kennis en ethos5%5%3 van 55%
Disciplinevorming en boundary work9%9%3 van 58%
Interdisciplinariteit8%7%4 van 58%
Popper en Kuhn9%10%4 van 510%
Ontologie en epistemologie5%6%4 van 57%
De taak van de wetenschapper9%8%3 van 58%
Vrije meningsuiting en debat12%11%4 van 511%
Waardigheid en veiligheid12%11%3 van 510%
Ethische theorieën en gedragscodes8%9%3 van 58%
Crisis en perverse prikkels8%8%2 van 57%
Evidence-based onderwijs8%8%4 van 59%
Fronetische sociale wetenschap7%8%4 van 59%

Aandeel in de tentamenstof

Week 5 is het zwaartepunt van wat er nog komt. Vrije meningsuiting en debat en Waardigheid en veiligheid zijn samen de grootste onderwerpen, en met De taak van de wetenschapper erbij beslaat die ene week een derde van de gewogen stof. Elk van die twee is ruim twee keer zo groot als de kleinste onderwerpen, Wetenschap, kennis en ethos en Ontologie en epistemologie. Tel je alle stof van week 5 tot en met 7 op, dan kom je op bijna twee derde. Disciplinevorming en boundary work en Interdisciplinariteit, de twee onderwerpen die bij beide toetsen horen, vullen samen nog eens ongeveer een zesde. Popper en Kuhn is ondanks de lagere weging nog even groot als De taak van de wetenschapper, simpelweg omdat het in de stof zoveel ruimte inneemt.

Zo pak je het aan: Schrijf voor de vier teksten van week 5 per auteur in twee zinnen op wat zijn of haar stelling is en met welk begrip die staat of valt. Kun je Whittington, Hill, Nature Human Behaviour en Harless zo uit elkaar houden, dan heb je een derde van de stof in handen.

Puntenverdeling per onderwerp

Punten en omvang lopen grotendeels gelijk op, met een paar verschuivingen die passen bij korte open vragen. Vrije meningsuiting en debat en Waardigheid en veiligheid blijven samen bovenaan. Popper en Kuhn klimt vlak achter die twee, omdat falsificatie, demarcatie en paradigma scherpe begrippen zijn die zich makkelijk laten bevragen, maar die punten tellen alleen voor wie deeltoets 1 herkanst. Ethische theorieën en gedragscodes en Fronetische sociale wetenschap leveren iets meer op dan hun omvang: drie theorieën op een casus toepassen of de vier vragen van Flyvbjerg noemen is precies de vorm van een vraag van twee of drie punten. De taak van de wetenschapper en Interdisciplinariteit zakken juist iets, want een beschouwing over betrokkenheid of over wat integratie is, vang je lastiger in een korte vraag. Alles bij elkaar ligt ruim drie kwart van de verwachte punten bij deeltoets 2.

Zo pak je het aan: Oefen Ethische theorieën en gedragscodes met één casus en drie korte alinea's: wat zegt het consequentialisme, wat zegt de deontologie, wat zegt de deugdethiek. Zo'n vraag is gesloten boek in vijf minuten te doen als het schema vastzit.

Moeilijkheidsgraad van de onderwerpen

Geen enkel onderwerp staat bovenaan de schaal, maar zes onderwerpen vragen duidelijk meer denkwerk dan de rest. Bij deeltoets 2 zijn dat Vrije meningsuiting en debat, Evidence-based onderwijs en Fronetische sociale wetenschap, plus Interdisciplinariteit dat bij beide toetsen hoort. Ze hebben iets gemeen: de auteur bouwt een betoog op met een onderscheid dat je moet kunnen navertellen en toepassen, zoals debatfetisjisme bij Hill, techne tegenover phronesis bij Biesta, het epistemische tegenover het fronetische model bij Flyvbjerg, en multidisciplinair tegenover interdisciplinair bij Repko. Waardigheid en veiligheid, Ethische theorieën en gedragscodes en Disciplinevorming en boundary work zitten in het midden: veel begrippen, maar ze liggen helder naast elkaar. Crisis en perverse prikkels is het lichtst van het vak en vraagt vooral herkennen.

Zo pak je het aan: Vat bij Biesta en Flyvbjerg het betoog samen in drie stappen: wat de tegenstander beweert, waarom dat niet klopt, wat de auteur ervoor in de plaats zet. Een open vraag over deze teksten vraagt bijna altijd een van die drie stappen.

Waar leg je je prioriteit?

De matrix zet punten tegenover moeilijkheid. In het kwadrant Eerst leren staan Vrije meningsuiting en debat en Popper en Kuhn: veel punten en veel denkwerk. Voor deeltoets 2 is Vrije meningsuiting en debat dus je begin, Popper en Kuhn is alleen dringend als je herkanst. Snelle punten zijn Waardigheid en veiligheid, Ethische theorieën en gedragscodes en Disciplinevorming en boundary work: bovengemiddeld veel punten voor gemiddeld denkwerk. Bij Kost tijd staan Evidence-based onderwijs, Fronetische sociale wetenschap, Interdisciplinariteit en Ontologie en epistemologie. Die leveren gewone punten op, maar je komt er niet met herhalen. Bijvangst zijn De taak van de wetenschapper, Crisis en perverse prikkels en Wetenschap, kennis en ethos: lees ze, maar besteed er niet je beste avonden aan.

Zo pak je het aan: Begin bij de snelle punten van Harless en het redactioneel van Nature Human Behaviour: drie soorten veiligheid en het verschil tussen nederig maken en vernederen zijn in een avond vast te zetten. Daarna heb je ruimte voor het zwaardere werk.

Je studieplan

Tot 26 oktober heb je ruim twee weken. De tijdverdeling ligt dicht bij de puntenverdeling, maar moeilijkheid duwt een paar onderwerpen omhoog. Week 5 vraagt bijna een derde van je studietijd, met Vrije meningsuiting en debat als grootste blok van allemaal. Week 7 komt daarna: Evidence-based onderwijs en Fronetische sociale wetenschap kosten samen iets meer dan heel week 6. Een volgorde die werkt: de eerste vijf dagen week 5, dan vier dagen week 7, dan drie dagen week 6, dan twee dagen OdG H8 en het essay van Bos, en de laatste dagen oefenen met korte vragen zonder boek. Wetenschap, kennis en ethos is het kleinste blok en kan er op een losse avond bij. Het debat in de werkgroep vraagt iets anders: een stelling verdedigen en direct reageren, en dat oefen je hardop.

Zo pak je het aan: Sluit elk blok af met een zelfgemaakte oefentoets van vier vragen van twee of drie punten, en beantwoord ze zonder samenvatting op tafel. Wat je dan niet kunt uitleggen, komt terug in de laatste dagen.

Kernbegrippen per onderwerp

Wetenschap, kennis en ethos

Ontologie, epistemologie en methodologie
Ontologie vraagt wat er bestaat, epistemologie hoe je weet dat kennis daarover waar is, en methodologie met welke methode je die kennis verzamelt, waarbij elke methode de eerste twee keuzes al veronderstelt.
Monisme en dualisme
Monisme ziet maar één substantie die in meerdere vormen verschijnt (Spinoza), dualisme ziet lichaam en geest als twee wezenlijk verschillende substanties die op elkaar inwerken (Descartes).
Reductionisme en holisme
Reductionisme verklaart een hoger niveau vanuit een lager (liefde is hormonen), holisme verklaart juist vanuit het geheel (liefde begrijp je pas via de cultuur).
Epistemische claim
Een uitspraak die beweert dat iets in de wereld het geval is en die steunt op rechtvaardigingen, die vaak zelf weer claims zijn die steun nodig hebben.
Deductief-nomologisch model (covering law theory)
De positivistische verklaring waarin je een geval afleidt uit een algemene causale wet, in tegenstelling tot de hermeneutiek, die betekenis wil begrijpen (Verstehen) in plaats van voorspellen.
CUDOS (Merton)
De normen communalism, universalism, disinterestedness en organized skepticism uit 1942, waaraan Ziman later originality toevoegde als vijfde.
Community of practice (Wenger)
Leren als gedeelde activiteit waarin je door mee te doen kennis mee bouwt, anders dan de leergemeenschap waarin de student een passieve consument van kennis is.
Reflexiviteit
Het vermogen kritisch na te denken over je eigen verantwoordelijkheden en die van anderen, volgens Bos de sleutel om een betrouwbaar lid van de academische gemeenschap te worden.

Disciplinevorming en boundary work

Discipline als project
Een vak is geen natuurlijke indeling maar een historisch gegroeide onderneming die nooit af is en steeds om erkenning en legitimiteit moet vechten.
Demarcatie
Het bepalen van de plaats, de vorm en de grens van een discipline, dus wat erbij hoort en wat erbuiten valt.
Boundary work (grenswerk)
Het werk waarmee een discipline zich afschermt tegen invloeden van buitenaf, langs vier lijnen: inhoudelijke plaatsbepaling, institutionalisering, financiering en legitimering.
Institutionalisering
Hoe een discipline voet aan de grond krijgt via eigen instituten, allianties, publicatiekanalen en het bezetten van poortwachtersposten, anders dan inhoudelijke plaatsbepaling, die over begrippen en theorieën gaat.
Legitimering
Hoe een discipline erkenning vindt in de samenleving: haar begrippen worden spreektaal, haar instituten krijgen een maatschappelijke rol en er ontstaat een mythe rond de grondlegger.
Psychical research
Experimenteel onderzoek naar bovennatuurlijke verschijnselen dat op alle vier de criteria scoorde en toch als pseudowetenschap eindigde, wat laat zien dat boundary work verklaart hoe een vak zich vestigt, niet of zijn kennis klopt.
Paradox van specialisatie (Ross)
Specialisatie moest het gezag van sociale wetenschappers vergroten door afstand tot de politiek, maar sneed daarmee hun morele en politieke wortels door zonder ze echt los te maken van hun omgeving.
Scientism
De eis dat de sociale wetenschappen zich naar de natuurwetenschappen modelleren, met dezelfde methoden en hetzelfde doel van verklaren, iets wat 'ethische' scholen nooit deelden.

Interdisciplinariteit

Discipline (Bos)
Een historisch gegroeide praktijk van wetenschapsbeoefening met eigen tradities en opvattingen, die vaste vorm heeft gekregen maar blijft veranderen.
Interdiscipline
Een tak van de sociale wetenschappen die tussen de disciplines in ligt in plaats van zelf een discipline te zijn, zoals ISW volgens Bos.
Wicked problems
Problemen zoals armoede of de klimaatcrisis die zo complex zijn dat één discipline ze niet kan doorgronden of oplossen, en die daarom om interdisciplinariteit vragen.
Multidisciplinariteit
Disciplines leggen hun inzichten naast elkaar zonder gevolgen voor methode of begrippen, wat een stapel losse rapporten oplevert in plaats van één nieuw antwoord.
Interdisciplinariteit (Repko)
Verregaande integratie van inzichten en methoden, anders dan transdisciplinariteit, waarbij de grenzen van een discipline worden overstegen.
Contextualiseren
Disciplinair materiaal in de bredere context van cultuur, tijd en ervaring plaatsen, zoals Ungar deed met universele en lokale dimensies van veerkracht.
Conceptualiseren
Overeenkomsten zoeken tussen begrippen uit verschillende disciplines en de waarden eronder, zodat er een nieuw begrip ontstaat zoals sociaal kapitaal dat tot geen van beide vakken terug te brengen is.
Probleemgerichtheid
Nagaan wie een probleem hoe definieert, zoals overgewicht bij medici, sociologen en economen, en daar samen met betrokkenen één interventie van maken.

Popper en Kuhn

Empirische cyclus
Het standaardbeeld van onderzoek waarin waarnemingen via inductie tot wetten leiden, een theorie die wetten verklaart en daaruit nieuwe hypothesen volgen die weer aan de feiten worden getoetst.
Confirmatie
Bevestiging door feiten die een universele wet geen zekerheid geeft maar een zekere waarschijnlijkheid, omdat je een universele uitspraak niet kunt verifiëren.
Falsificatiecriterium
Een theorie is volgens Popper wetenschappelijk als ze weerlegbaar is en dus iets in de werkelijkheid verbiedt, niet als ze veel bevestigingen verzamelt.
Riskante voorspelling
Een voorspelling waarvan je zonder de theorie juist een andere uitkomst zou verwachten, zoals de lichtafbuiging bij Einstein, en die de theorie dus kan breken.
Conventionalistische draai
Een weerlegde theorie redden met een achteraf toegevoegde hulpaanname of herinterpretatie, wat de theorie in leven houdt maar haar wetenschappelijke status kost.
Theoriegeladenheid van waarneming
Elke waarneming veronderstelt begrippen of een theorie, dus feiten spreken niet voor zichzelf en theorievrije waarneming is een mythe.
Normale wetenschap (normal science)
Puzzels oplossen binnen een aanvaard paradigma, waarbij een mislukking de onderzoeker test en niet de theorie, anders dan buitengewoon onderzoek in een crisis.
Anomalie
Een feit dat niet in het paradigma past en in normale wetenschap tijdelijk opzij wordt gezet, maar bij opstapeling tot een crisis en een wetenschappelijke revolutie kan leiden.

Ontologie en epistemologie

Foundationalism
De ontologische positie dat de wereld objectief gegeven is en los van de waarnemer bestaat, met dingen die kenmerkende eigenschappen hebben.
Anti-foundationalism
De positie dat de wereld sociaal of discursief geconstrueerd is en niet bestaat los van onze kennis en interpretatie ervan.
Positivisme
Een foundationalistische en empiristische positie die met directe waarneming wetmatigheden zoekt, verklaren en voorspellen koppelt en empirische vragen scheidt van normatieve.
Interpretativisme
Een anti-foundationalistische, idiografische positie die met kwalitatieve methoden duiding zoekt in plaats van verklaring, met een waarheidsclaim die alleen hier en nu geldt.
Realisme
Een foundationalistische positie die, anders dan het positivisme, onzichtbare diepe structuren aanneemt en daarom verklaren én begrijpen combineert met kwantitatieve en kwalitatieve methoden.
Dubbele hermeneutiek
De actoren interpreteren de wereld eerst zelf, en de onderzoeker interpreteert die interpretatie daarna nog eens.
Nomothetisch en idiografisch
Nomothetisch onderzoek zoekt algemene wetmatigheden die overal gelden, idiografisch onderzoek beschrijft en begrijpt het unieke geval.
Huid, geen trui
De stelling van Marsh en Furlong dat je ontologische en epistemologische positie bepaalt wat en hoe je onderzoekt, zodat je haar niet per project kunt aan- of uittrekken.

De taak van de wetenschapper

Wetenschap als roeping (Weber)
Wetenschap om de wetenschap zelf, met afstand tot de wereld, tegenover Marx, die vond dat het erom gaat de wereld te veranderen.
Distantie en betrokkenheid
Twee accenten in de taak van de wetenschapper: afstand houden van het onderwerp of je inzetten voor een zaak, een keuze die het college bij de student laat.
Gesitueerde kennis (Haraway)
Kennis die ingebed is in de historische, culturele, talige en morele context van wie kent, en daarom lokaal, belichaamd en politiek is, tegenover de neutrale feiten van het positivisme.
Verificationisme
Het idee dat je een theorie bewijst door bevestigingen te verzamelen, dat Popper afwijst omdat uit een stapel losse feiten geen waar beeld volgt.
Vier toetsstenen voor het debat
Je bepaalt of een wetenschapper een debat voert door na te gaan of een bewering toetsbaar is, door de academische gemeenschap gedragen wordt, maatschappelijke waarde heeft en normatieve elementen bevat.
Debatfetisjisme
Het debat zien als hoogste vorm van communicatie, wat volgens de tweede positie in het college sociale ongelijkheid en privileges in stand houdt.
Woke
Bewust van sociaal onrecht en strijdvaardig tegen de achterstelling van gemarginaliseerde groepen, met verschijnselen als voorkeursvoornaamwoorden, safe spaces, dekolonisatie van het curriculum en cancel culture.
Vier functies van de universiteit (Burawoy)
Een indeling op twee assen, instrumentele of reflexieve kennis en een academisch of breder publiek, die professionele, beleids-, kritische en publieke kennis oplevert.

Vrije meningsuiting en debat

Kernmissie van de universiteit (Whittington)
Kennis vergroten en doorgeven, waarvoor vrije meningsuiting en inclusiviteit allebei nodig zijn, zodat ze volgens Whittington geen concurrenten zijn.
Chicago-verklaring
Een verklaring uit 2014 met beginselen van vrije meningsuiting die universiteiten kunnen overnemen om uit te spreken waar ze voor staan, wat Whittingtons eerste taak (overtuigen) dient.
Socialisatie
Whittingtons tweede taak: nieuwe leden leren wat de universiteit is en waarom zij zo werkt, bijvoorbeeld via gesprekken in de introductieweek en deliberatieve dialoog.
Academische vrijheid en extramural speech
Academische vrijheid beschermt docenten bij onderzoek en onderwijs in hun vak, extramural speech betreft hun publieke uitspraken als burger buiten hun expertise.
Veto van de roeper (heckler's veto)
Een groep die belet dat anderen een spreker horen, wat Whittington niet wil verdragen, terwijl hij een roeper die protesteert wel verdraagt.
Communicatie als morele roeping (Hill)
Communicatie is geen uitzenden van je eigen boodschap maar luisteren naar de ander en zorgvuldig antwoorden, waarbij je het recht op spreken in balans brengt met verantwoordelijkheid.
Gezindheidsethiek en verantwoordelijkheidsethiek
Gezindheidsethiek handelt vanuit principes ook als er mensen gekwetst worden, verantwoordelijkheidsethiek vindt dat geen principe schade aan een individu rechtvaardigt.
Debatfetisjisme (Hill)
Debat zien als vrije uitwisseling op een markt van ideeën, waarbij de ongelijke sociale verhoudingen achter de communicatie uit beeld verdwijnen.

Waardigheid en veiligheid

Directe en indirecte schade
Directe schade ontstaat tijdens het onderzoek bij deelnemers, indirecte schade door de publicatie, bij groepen die zelf niet meededen.
Weldoen en niet-schaden
Twee principes uit de onderzoeksethiek, zo veel mogelijk voordeel opleveren en schade zo klein mogelijk houden, die Nature Human Behaviour uitbreidt naar elke publicatie over mensen.
Weigeringscriteria
De vier soorten inhoud die de redactie los van wetenschappelijke kwaliteit kan weigeren, zoals inhoud die uitgaat van aangeboren superioriteit van een groep of een persoon of groep kleineert.
Sekse en gender
Sekse gaat over biologische verschillen zoals chromosomen en hormonen, gender over sociaal geconstrueerde rollen die per samenleving en periode verschillen.
Waardigheidsveiligheid (dignity safety)
De toestand waarin je zonder redelijke angst meedoet omdat je erop kunt vertrouwen niet als lager in rang behandeld te worden, anders dan intellectuele veiligheid, die je opvattingen beschermt.
Intellectuele veiligheid
De geruststelling dat je opvattingen en wereldbeeld niet worden aangetast, die volgens Harless in de collegezaal juist níet beschermd moet worden.
Nederigheid en vernedering
Callans toets: een idee dat je denken ter discussie stelt maakt je nederig en is groei, een idee dat je respect ontneemt vernedert je.
Safety from en safety to
Safety from is negatieve veiligheid door contact te vermijden, safety to positieve veiligheid om contact aan te gaan, en een minimum van het eerste is nodig voor het tweede.

Ethische theorieën en gedragscodes

Ethiek (Singer)
Onderzoek naar wat goed en fout en wat waardevol is, dus de vraag wat je behoort te doen, en geen lijst met verboden.
Twijfelachtige onderzoekspraktijken (QRP's)
Het grijze gebied tussen ideaal gedrag en verwerpelijk gedrag (plagiaat, falsificatie, fabricage), dat normen schendt maar niet genoeg om fraude te heten.
Integriteit en onderzoeksethiek
Integriteit gaat over de morele standaard van de onderzoeker zelf, onderzoeksethiek over hoe je deelnemers beschermt en hun rechten borgt.
Onderzoeksethiek en beroepsethiek
Onderzoeksethiek gaat over het verzamelen en verspreiden van kennis, beroepsethiek over de praktijk van wie ingrijpt in de wereld, zoals een therapeut of docent.
Gedragscode
Een set richtinggevende principes waaraan universiteiten medewerkers en studenten binden, omdat een regel voor elke situatie eindeloos zou zijn.
Kernimperatieven
Vier regels die de grens aangeven: voorkom schade en doe goed, respect voor personen, bescherm vertrouwelijkheid en vermijd misleiding, die onderling kunnen botsen.
Consequentialisme en deontologie
Consequentialisme beoordeelt een handeling op de gevolgen voor alle betrokkenen, deontologie stelt dat sommige plichten altijd gelden, ook als afwijken betere gevolgen heeft.
Deugdethiek
In plaats van op regels te leunen ontwikkelt de onderzoeker deugden en praktische wijsheid, waarmee hij kan oordelen waar een regelvolger vastloopt.

Crisis en perverse prikkels

Systeembenadering
Niet vragen waarom één onderzoeker fraudeerde, maar welk systeem van samenhangende delen fraude of slordigheid aantrekkelijk maakt.
Replicatiecrisis
De rond 2010 opgekomen term voor het verschijnsel dat herhaalde studies de oorspronkelijke resultaten vaak niet opleverden.
Exacte en conceptuele replicatie
Een exacte replicatie herhaalt een studie met dezelfde methode onder dezelfde omstandigheden, een conceptuele houdt de begrippen vast maar verandert methode of omstandigheden.
Theoretisch sektarisme
Je eigen theorieën bevoordelen en die van rivalen wantrouwen, waardoor men liever bevindingen in eigen kring bevestigt dan die van anderen herhaalt.
Onderzoeksvrijheid (degrees of freedom)
De keuzes bij verzamelen en analyseren, zoals steekproefgrootte en covariaten, waarmee je makkelijk vals-positieve uitkomsten maakt zolang lezers die keuzes niet kennen.
Publish or perish
De druk om in tijdschriften met hoge impact te publiceren om je loopbaan te overleven, met trucs als gift authorship en salami slicing.
Perverse prikkels
Onbedoelde effecten van prestatiegebonden beloningssystemen die gedrag uitlokken dat tegen het doel ingaat, zonder aantoonbaar direct tot fraude te leiden.
Matthew-effect (Merton)
Beloningen in de wetenschap stapelen zich op, zodat wie al scoort makkelijker geld en erkenning krijgt en wie niet scoort achterraakt.

Evidence-based onderwijs

Evidence-based praktijk
Werken op basis van onderzoeksbewijs over wat werkt, een idee uit de geneeskunde dat is overgenomen in onder meer het onderwijs.
Gerandomiseerd gecontroleerd experiment
Een experiment waarin het toeval bepaalt wie de behandeling krijgt, door voorstanders de gouden standaard genoemd omdat het een effect buiten redelijke twijfel zou aantonen.
Interne relatie tussen doel en middel
In onderwijs bepalen de middelen mee wat het doel wordt, omdat leerlingen ook leren van de manier waarop je lesgeeft, anders dan in het technologische model waarin het doel vaststaat.
Phronesis tegenover techne
Phronesis is praktische wijsheid, oordelen over wat in een situatie goed is, techne is instrumentele kennis van hoe je een gegeven doel bereikt.
Transactionele kennistheorie (Dewey)
Kennen gaat niet over een wereld daarbuiten, zoals in de toeschouwerstheorie, maar over het verband tussen je handelingen en hun gevolgen.
Gerechtvaardigde beweringen (warranted assertions)
Wat onderzoek volgens Dewey oplevert: uitspraken over wat werkte in een situatie, die als hypothese dienen en geen regel zijn voor wat werkt.
Technische en culturele rol van onderzoek
In de technische rol levert onderzoek middelen voor een gegeven doel, in de culturele rol een andere manier om de sociale werkelijkheid te begrijpen (De Vries).
Democratisch tekort
Evidence-based praktijk beperkt de beslissingen tot vragen over effectiviteit en beperkt daarmee ook wie mag meepraten over de doelen van onderwijs.

Fronetische sociale wetenschap

Epistemisch model
Sociale wetenschap naar natuurwetenschappelijk voorbeeld die wetten zoekt en die als sociale planning (social engineering) toepast op problemen.
Fronetisch model
Sociale wetenschap die op waarderationaliteit steunt en met een reflexieve analyse van waarden en belangen het publieke debat voedt in plaats van wetten toe te passen.
Waarderationaliteit
Het overwegen van waarden en belangen en hoe die groepen raken, tegenover epistemische rationaliteit, die theorieën en wetten zoekt.
Vier waarderationele vragen
Waar gaan we heen, wie wint en wie verliest via welke machtsmechanismen, is dit wenselijk, en wat moeten we eraan doen.
Scientistisch versus wetenschappelijk
Iets er met formules en modellen wetenschappelijk laten uitzien is iets anders dan wetenschappelijk zijn, een verwarring die Flyvbjerg de pars-pro-totodrogreden noemt.
Context
De alledaagse achtergrondvaardigheden van mensen die bepalen wat als relevant telt en die op oordelen rusten die niet in regels te vangen zijn, waardoor een voorspellende sociale theorie onmogelijk is.
Non-paradigmatisch
De sociale wetenschap heeft nooit een paradigma gekend en krijgt er ook geen, dus ze is geen onvolwassen of pre-paradigmatische natuurwetenschap.
Contextualisme (situationele ethiek)
De positie tussen funderingsdenken, dat waarden universeel wil funderen, en relativisme, dat alle waarden even goed vindt, gedragen door de opvatting van een referentiegroep.

Waar het bij Over de grenzen van disciplines meestal misgaat

Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.

Whittington laten kiezen tussen vrijheid en diversiteit

Wat er misgaat: Je schrijft dat Whittington vrije meningsuiting belangrijker vindt dan inclusiviteit, alsof hij in de peilingen van Gallup en de Knight Foundation voor de ene kant kiest.

Hoe het wel moet: Volgens Whittington botsen ze niet: diversiteit en vrije meningsuiting zijn twee voorwaarden voor dezelfde missie, kennis vergroten en doorgeven. Daarom geeft hij drie taken: overtuigen, socialiseren en regels goed inrichten.

Waardoor het komt: Het debat dat hij bespreekt draait om welke waarde voorrang krijgt, en zijn kritiek op safe spaces en bias response teams lijkt die keuze te bevestigen. Maar juist die tegenstelling noemt hij een vergissing.

Waaraan je het herkent: In je antwoord staat bij Whittington een woord als "voorrang", "afweging" of "ten koste van".

Een safe space bij Harless als bescherming tegen ongemak

Wat er misgaat: Je schrijft dat Harless studenten wil beschermen tegen ideeën die hen ongemakkelijk maken of hun overtuigingen aantasten.

Hoe het wel moet: De collegezaal is volgens Harless veilig voor je waardigheid en bewust intellectueel gevaarlijk voor je denken. Met Callan toets je het verschil: een idee dat je nederig maakt is groei, een idee dat je vernedert schendt je waardigheid.

Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik betekent "veilig" dat je nergens last van hebt. Harless onderscheidt juist waardigheidsveiligheid, die de collegezaal moet bieden, van intellectuele veiligheid, die hij juist niet moet bieden.

Waaraan je het herkent: Je gebruikt bij Harless "veiligheid" zonder te zeggen welke van de drie soorten je bedoelt, of je laat het verschil tussen nederigheid en vernedering weg.

"Evidence" lezen als bewijs van wat werkt

Wat er misgaat: Je schrijft dat Biesta onderzoek nutteloos vindt, of juist dat onderzoek volgens hem kan vertellen welke aanpak in een klas werkt.

Hoe het wel moet: Onderzoek vertelt wat werkte, niet wat werkt: het levert hypothesen voor intelligent handelen en geen regels. Het ondersteunt het oordeel van de docent en vervangt het niet, en het kan naast de technische ook een culturele rol spelen.

Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik is evidence hard bewijs voor de toekomst. Biesta zegt met Dewey dat onderzoek gerechtvaardigde beweringen oplevert over het verband tussen wat we deden en wat volgde.

Waaraan je het herkent: Je schrijft "bewezen effectief" of "Biesta is tegen experimenten", of je vergeet bij effectiviteit de vraag: effectief waarvoor?

Debatfetisjisme lezen als afwijzing van debat

Wat er misgaat: Je schrijft dat Hill tegen het debat of tegen vrije meningsuiting is, omdat hij de critici van safe spaces van debatfetisjisme beschuldigt.

Hoe het wel moet: Hill vindt debat nuttig, maar één stuk gereedschap naast andere vormen van communicatie. Hij brengt vrije meningsuiting in balans met verantwoordelijkheid tegenover wie nauwelijks gehoord wordt, en ziet in een safe space een ruimte waar erkenning de regel is in plaats van debat.

Waardoor het komt: Het woord fetisjisme klinkt als een verwerping van het debat zelf. Hill bekritiseert echter het debat als enige vorm van communicatie, waarbij de ongelijke sociale verhoudingen achter de woorden uit beeld verdwijnen.

Waaraan je het herkent: Je antwoord zegt dat Hill debat "verbiedt" of "afschaft", of je noemt Hill en Whittington allebei tegenstanders van vrije meningsuiting.

Indirecte schade verwarren met schade aan deelnemers

Wat er misgaat: Je schrijft dat Nature Human Behaviour onderzoek weigert dat deelnemers schaadt, of dat goedkeuring door een ethische commissie een artikel veilig stelt.

Hoe het wel moet: Het gaat om indirecte schade, die ontstaat door de publicatie, zoals het stigmatiseren van een groep. De vier weigercriteria gelden los van de wetenschappelijke kwaliteit en los van een eerdere goedkeuring door een ethische commissie, en Soof die migratieachtergrond als variabele gebruikt moet die indeling daarom verantwoorden.

Waardoor het komt: Bekende onderzoeksethiek gaat over de mensen in een onderzoek en wordt vooraf door een commissie getoetst. Het redactioneel vult juist het gat daarnaast: de mensen over wie het onderzoek gaat.

Waaraan je het herkent: In je antwoord over het redactioneel komen alleen proefpersonen of de commissie voor, en niet de groep waarover gepubliceerd wordt.

Publicatiedruk als oorzaak van fraude

Wat er misgaat: Je schrijft dat publish or perish en perverse prikkels volgens Bos leiden tot fraude en een vloed van slecht onderzoek.

Hoe het wel moet: Bos stelt dat publicatiedruk niet aantoonbaar tot fraude leidt, maar wel de publicatienormen veranderde. Perverse prikkels hangen samen met ongewenste trends zoals adjunctificatie en het Matthew-effect, die de onderzoeksethiek indirect raken; daarom kijkt hij met een systeembenadering naar het geheel.

Waardoor het komt: De voorbeelden van salami slicing en gift authorship maken die conclusie aantrekkelijk. Maar Fanelli en Larivière vonden dat de productiviteit per hoofd stabiel bleef, en Bos trekt zelf die conclusie niet.

Waaraan je het herkent: Je antwoord bevat een rechtstreekse pijl van publicatiedruk naar fraude, zonder het woord "indirect" of de systeembenadering.

Fronetische wetenschap als wetenschap die nog niet af is

Wat er misgaat: Je schrijft dat de sociale wetenschap volgens Flyvbjerg nog geen voorspellende theorie heeft omdat ze jong of te complex is, en dat fronetisch onderzoek een tussenoplossing is tot het zover is.

Hoe het wel moet: Een voorspellende sociale theorie komt er volgens Flyvbjerg niet, omdat mensen zichzelf interpreteren en natuurverschijnselen niet. Fronetische sociale wetenschap is sterk waar de natuurwetenschap zwak is: zij analyseert waarden en macht met vier waarderationele vragen en voedt het publieke debat.

Waardoor het komt: Dat is precies de positie van Laitin, die een beroep op context een uitvlucht noemt. Flyvbjerg weerlegt die: context bestaat uit oordelen die zich niet in regels laten vangen, en sociale verschijnselen praten terug.

Waaraan je het herkent: Je gebruikt bij Flyvbjerg woorden als "nog niet", "pre-paradigmatisch" of "later wel", of je verwart scientistisch met wetenschappelijk.

Multidisciplinair werk interdisciplinair noemen

Wat er misgaat: Je noemt een onderzoek interdisciplinair zodra er mensen uit meerdere disciplines aan meewerken, zoals het team dat elk een deel van alcoholgebruik onder minderjarigen onderzoekt.

Hoe het wel moet: Interdisciplinariteit vraagt verregaande integratie: perspectieven in kaart brengen, hun zwakke plekken zoeken en integreren via contextualiseren, conceptualiseren of probleemgerichtheid. Sociaal kapitaal is zo'n nieuw begrip dat tot geen van beide disciplines terug te brengen is.

Waardoor het komt: In gewone taal betekent interdisciplinair "met meerdere vakken". Bij Repko is dat multidisciplinariteit: inzichten naast elkaar, zonder gevolgen voor methode of begrippen.

Waaraan je het herkent: Je antwoord eindigt met een stapel losse uitkomsten per discipline en niet met één nieuw antwoord of begrip.

Integriteit en onderzoeksethiek door elkaar halen

Wat er misgaat: Je noemt het verzinnen van data een schending van de onderzoeksethiek, of het breken van beloofde anonimiteit een kwestie van integriteit.

Hoe het wel moet: Integriteit gaat over hoe jij als onderzoeker werkt, je morele principes en professionele standaarden, vaak rond methode en procedure. Onderzoeksethiek gaat over hoe je met je deelnemers omgaat: hen beschermen, hun rechten borgen en vertrouwelijkheid bewaken.

Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik betekenen beide woorden ongeveer "netjes werken". Bos maakt er twee aparte begrippen van, met elk een eigen bewaker: ethische commissies voor de ethiek, ombudspersonen en klachtencommissies voor de integriteit.

Waaraan je het herkent: Je gebruikt de twee woorden in één zin als synoniemen, of je kunt bij een casus niet zeggen welke instantie erover gaat.

Demarcatie en boundary work als hetzelfde begrip

Wat er misgaat: Je legt demarcatie en boundary work in één zin uit als "een grens trekken" en past daarna geen van de vier criteria toe.

Hoe het wel moet: Leg de twee los uit en laat boundary work zien langs inhoudelijke plaatsbepaling, institutionalisering, financiering en legitimering. Bij Freud is dat bijvoorbeeld eigen begrippen over het onbewuste, eigen tijdschriften, betaling via de verzekering en de "Freudiaanse verspreking" in de spreektaal.

Waardoor het komt: Beide begrippen gaan over grenzen en worden in het college samen gebruikt. Demarcatie is het bepalen van plaats, vorm en grens; boundary work is het werk waarmee een discipline zich vervolgens afschermt tegen invloeden van buitenaf.

Waaraan je het herkent: Je antwoord noemt geen tijdschrift, leerstoel, geldstroom of erkenning, terwijl de vraag een discipline als voorbeeld geeft.

Nu weet je waar je moet beginnen

De samenvatting van Over de grenzen van disciplines volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.

Begin gratis met week 1 · Samenvatting Over de grenzen van disciplines · Bekijk prijzen

Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.