De vragen en discussies die bij Understanding prejudice: intergroup relations horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 25 vragen, waarvan 22 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Nee, en Ellemers en Haslam noemen dat juist een hardnekkig misverstand. De minimal group studies waren de aanleiding voor de theorie, niet de kern. Wie SIT samenvat als "identificatie leidt tot ingroup bias", mist het belangrijkste deel.
De kern is dat mensen een positieve, onderscheidende sociale identiteit zoeken. Lukt dat niet, dan kiezen ze een van drie strategieën. Individual mobility: als individu de groep verlaten. Social creativity: de vergelijking anders inrichten. Social competition: als groep de status quo aanvechten. Welke strategie het wordt, hangt af van drie subjectieve inschattingen. Permeability: kun je als individu naar een andere groep? Stability: is het statusverschil blijvend? Legitimacy: is het verschil rechtvaardig?
Krijg je op de toets een casus over een groep met lage status, stop dan dus niet bij ingroup favoritism. Benoem de drie kenmerken zoals de groep ze ziet, en leid daar de strategie uit af.
Begin bij de wet. Volgens Ellemers en Haslam maken doorlaatbare grenzen individual mobility aantrekkelijk. Ondoordringbare grenzen binden mensen aan hun groep, zodat ze verbetering als groep zoeken.
Een afleiding kan er zo uitzien:
Maak de hypothese zelf af, met een vergelijking en een richting. Kijk dan naar legitimacy. Wat voorspel je voor mbo-studenten die het statusverschil onterecht vinden, maar wel kunnen doorstromen? En klopt je voorspelling met het collegeschema, of alleen met het hoofdstuk?
Het explanans is wat verklaart: de wet en de conditie samen. De wet is de algemene uitspraak uit de theorie (t → y). De conditie zegt dat jouw geval onder die wet valt (x is deel van t). Het explanandum is wat verklaard moet worden. In dit vak is dat de hypothese die uit die twee volgt (x → y).
Het onderscheid telt omdat bijna elke exam question vraagt om zo'n afleiding. Veel punten gaan verloren aan een hypothese die niet logisch uit wet en conditie volgt. Controleer daarom twee dingen. Komt het begrip uit de wet terug in de conditie? En vergelijkt je hypothese twee groepen of twee niveaus, met een richting?
Let ook op de richting van het redeneren. Van wet naar hypothese is deductie (van algemeen naar specifiek). Van herhaalde waarnemingen naar een wet is inductie. Op de toets doe je bijna altijd het eerste.
De samenvatting geeft al de individuele versie: kamerzoekers zijn negatiever over internationale studenten dan studenten met een kamer. De wet uit RGCT blijft gelijk: hoe meer ervaren concurrentie, hoe negatiever de houding tegenover de outgroup. Voor een group-threat hypothesis moet je alleen de conditie veranderen. Die moet dan over een context gaan, niet over een kenmerk van personen.
Denk aan steden of jaren waarin het kamertekort groter is. Dan vergelijk je niet Fleur met Sjors, maar Utrecht met een stad waar kamers makkelijker te vinden zijn. Of Utrecht in een krap jaar met Utrecht in een ruimer jaar.
Formuleer zelf de conditie en de hypothese. En denk na over je ontwerp: wat meet je, bij wie, en op welk niveau? Wat betekent het als je de individuele hypothese bevestigt, maar de hypothese over steden niet?
Omdat die keuze laat zien wat mensen echt willen. In die matrix stijgen de punten voor beide groepen samen. Wie 23 tegen 29 kiest, geeft de eigen groep het meeste (maximum ingroup profit) en beide samen ook (maximum joint profit). Wie 11 tegen 5 kiest, geeft de eigen groep minder punten. Het enige wat hij wint, is dat de andere groep er nog slechter vanaf komt: maximum difference.
Het ging deelnemers dus niet om veel krijgen, maar om meer krijgen dan de ander. En dat bij groepen die op een betekenisloos criterium waren ingedeeld, het schatten van stippen. Daarom concludeerde Tajfel dat sociale categorisatie op zich al genoeg is voor intergroup bias: de eigen groep bevoordelen ten opzichte van de andere.
Op de toets helpt het om de strategie te benoemen bij een keuze. Kies je de kolom waar het verschil het grootst is, ook als de eigen groep er punten voor inlevert? Dan is het MD.
Hier botsen twee lijnen uit de colleges. Auer en Ruedin (2023) vonden in Zwitserland dat een doelpunt van Shaqiri de achterstand van Kosovaars-Albanese sollicitanten liet verdwijnen. Dat past bij dual identification: zien dat leden van de outgroup zich ook met jouw groep identificeren. Maar bij Obama ging het andersom. De houding tegenover hem raakte los van die tegenover Afro-Amerikanen. Dat is subtyping: de uitzondering apart zetten zodat het stereotype blijft staan.
Probeer uit beide een hypothese af te leiden. Een mogelijke wet: hoe zichtbaarder het is dat een outgrouplid zich ook met de eigen groep identificeert, hoe positiever de houding tegenover zijn groep. Wat wordt dan de conditie bij de sporter? En hoe ziet de tegenhypothese eruit als je vanuit subtyping redeneert?
De vraag die blijft: welk kenmerk van de situatie bepaalt of de meerderheid generaliseert of de sporter wegzet als uitzondering?
Bij subtyping stop je een groepslid dat niet in het beeld past in een aparte categorie. Het is "de uitzondering", en het algemene stereotype blijft daardoor staan. Bij subgrouping vorm je een gevarieerder beeld van de groep, met verschillende soorten leden. Het stereotype verwatert dan, omdat de groep niet meer één beeld is.
Volgens Operario en Fiske is subgrouping de kansrijkste weg naar verandering. Subtyping beschermt het stereotype juist. Dat sluit aan bij de twee manieren van veranderen van Rothbart (1981). Bij bookkeeping stel je het beeld langzaam bij met elk nieuw afwijkend geval. Bij conversion verandert het beeld ineens door één opvallend lid. Het risico van conversion is dat zo'n opvallend lid juist als uitzondering wordt weggezet.
Op de toets herken je subtyping aan de redenering "maar jij bent anders". Dat klinkt vriendelijk, maar het laat het beeld van de groep ongemoeid.
Hier staan twee uitspraken uit het hoofdstuk tegenover elkaar. Volgens Fiske (1993) stereotypeert wie macht heeft meer, onder meer omdat hij weinig motivatie heeft om ondergeschikten te kennen. Volgens het continuum model komt individuatie juist op gang door motivatie, zoals outcome dependency: je eigen resultaat hangt af van de ander.
Bij deze manager zitten beide in één persoon. Probeer eerst twee losse afleidingen te maken. Eén uit de wet over macht, één uit de wet over outcome dependency. Dan kun je een derde hypothese bouwen waarin de tweede wet de eerste afzwakt. Hoe zou je dat formuleren: als vergelijking tussen managers met en zonder teambonus?
En welke van de drie verklaringen voor stereotyperen door machthebbers verdwijnt er precies door de bonus, en welke blijft staan?
Prototypicality gaat over lijken op het typische voorbeeld van een categorie. Een groep is prototypisch voor "Nederlander" als ze sterk lijkt op het beeld dat mensen van een Nederlander hebben. Group indispensability gaat over nodig zijn voor die categorie, ook als je er niet typisch voor bent. Het voetbalvoorbeeld uit het college: de spits is het gezicht van het team, maar zonder keeper speel je niet.
Het verschil telt omdat ze andere gevolgen hebben. Volgens het Ingroup Projection Model ziet elke subgroep zichzelf als het beste voorbeeld van de overkoepelende groep. Hoe prototypischer de meerderheid zichzelf vindt, hoe negatiever ze is over andere groepen. Minderheden kunnen zelden prototypisch zijn. Onmisbaar kunnen ze wel zijn, en wie een groep onmisbaar vindt, steunt meer haar rechten.
Er zijn twee soorten onmisbaarheid. Functional gaat over wederzijdse afhankelijkheid, zoals op de arbeidsmarkt. Identity gaat over wie "wij" zijn: zonder die groep zou de identiteit anders zijn.
Hier kun je twee tegengestelde hypothesen afleiden. Vanuit het Common Ingroup Identity Model: mensen bevoordelen hun eigen groep, dus wie de vroegere outgroup als mede-Utrechter ziet, wordt positiever. Vanuit het Ingroup Projection Model: de overkoepelende groep wordt een wedstrijd over wie het meest "echte" Utrechter is.
Probeer het zelf in drie regels:
Bedenk daarna welke conditie bepaalt welk model wint. Speelt dual representation een rol, een overkoepelende groep met zichtbare subgroepen? En hoe zou je de campagne kunnen formuleren zodat indispensability de plek van prototypicality inneemt?
Ja. "Realistisch" slaat in RGCT op het soort conflict, niet op de vraag of de concurrentie objectief bestaat. Bij Coser is een conflict realistisch als het om een concreet middel draait, zoals banen of woningen. Het is niet-realistisch als de agressie zelf het doel is.
Of die strijd echt is of alleen gevoeld wordt, is een aparte vraag. Blalock (1967) geeft er een keten voor: echte concurrentie, waargenomen concurrentie, waargenomen dreiging, vooroordeel. Echte concurrentie werkt alleen via de waarneming. Het Thomas-theorema zegt hetzelfde: als mensen een situatie als echt zien, zijn de gevolgen echt.
Op de toets mag je RGCT dus toepassen op een dreiging zonder grond. Laat wel zien dat de groep het als een strijd om een middel ziet, waarin de winst van de een het verlies van de ander is.
Wetts en Willer (2018) lieten zien dat zo'n bericht werkt. Witte Amerikanen die een grafiek zagen met een dalend wit aandeel, steunden sociale voorzieningen voor minderheden minder. Dat past bij Blumer: de dominante groep ziet haar positie bedreigd.
Voor de vraag wie het sterkst reageert, heb je de individualistische uitleg van RGCT nodig. Mensen in een positie die lijkt op die van de outgroup, voelen de meeste dreiging. Leid zelf een individual-threat hypothesis af:
Welke categorie personen kies je in de conditie, en om welk middel concurreren ze? En dan de lastige vraag: gaat zo'n bericht over schaarse middelen, of over status en de plek van de groep? Met andere woorden: is dit RGCT, of eerder SIT?
Omdat het een methodisch probleem oplost. Als mensen met contact minder vooroordeel hebben, weet je nog niet wat de oorzaak is. Misschien zoeken mensen zonder vooroordeel juist contact op. Dat heet zelfselectie (selection bias).
Zelfselectie kan alleen als mensen zelf kiezen. Bij gedwongen contact kiest niemand, dus die verklaring valt weg. Toch vindt de meta-analyse van Pettigrew en Tropp (2006) bij gedwongen contact een sterker effect (r = -.28) dan bij vrijwillig contact (r = -.20). Finseraas en Kotsadam (2017) gebruikten hetzelfde idee: soldaten kwamen bij toeval in een groep met of zonder minderheidsleden.
"Gedwongen" klinkt negatief, maar hier is het een sterkte van het onderzoek. Noem op de toets ook de twee andere oplossingen: experimenten en longitudinaal onderzoek.
Allebei is te verdedigen, en daarom is dit een typische tentamenvraag. RGCT zegt: meer outgroupleden geeft meer concurrentie en dreiging, dus meer vooroordeel. De contacthypothese zegt: meer outgroupleden geeft meer kans op positief contact, dus minder vooroordeel. Schlueter en Scheepers (2010) laten zien dat beide tegelijk gebeuren.
Maak eerst twee afleidingen, met dezelfde conditie en een tegengestelde hypothese. Zoek dan de conditie die bepaalt welke wint. Allport geeft een aanwijzing: nabijheid is geen contact. Een azc achter een hek levert nabijheid, geen ontmoeting.
Welke van de vier voorwaarden van Allport zou de gemeente kunnen regelen? En hoe ziet je hypothese eruit als je die voorwaarde in de conditie opneemt: welke bewoners vergelijk je dan met welke?
Omdat een gemengde klas nog geen positief contact is. Het aandeel klasgenoten uit een minderheidsgroep zegt alleen iets over nabijheid. De omgang zelf kan positief zijn, negatief (pesten) of helemaal ontbreken.
Stark e.a. (2015) maten dat per klasgenoot. Van de leerlingen had 41 procent geen klasgenoot uit de outgroup. Van de rest vond 25 procent die klasgenoten vooral aardig en 20 procent vooral niet. Positief en negatief contact komen dus ongeveer even vaak voor. Bekhuis e.a. (2013) vonden bovendien dat negatief contact vooroordeel even sterk verhoogt als positief contact het verlaagt. Samen heffen ze elkaar op, en dan zie je geen totaaleffect.
Krijg je een casus over een gemengde school of wijk, vraag dan eerst: is er echt contact, en is het positief of negatief?
Dat is precies wat het sedative effect voorspelt (Cakal e.a., 2011). Positief contact vermindert vooroordeel, maar dempt ook de bereidheid tot collectieve actie. In het schema van SIT valt dan de groepsstrategie weg waarmee een benadeelde groep de status quo aanvecht.
Probeer het in drie regels:
Denk daarna verder dan de afleiding. Is dit een argument tegen contactprogramma's, of tegen programma's die alleen op contact leunen? En wat voorspel je als het contact de minderheid juist bewuster maakt van ongelijkheid: welk mediator-proces uit het college zou dat kunnen doen?
Je bepaalt het type aan de functie, niet aan hoe sympathiek het idee klinkt. Een legitimizing myth is een breed gedeelde culturele overtuiging die discriminatie verhult of aanvaardbaar maakt. Hierarchy-enhancing mythes houden ongelijkheid tussen groepen in stand. Hierarchy-attenuating mythes verkleinen haar.
De protestantse arbeidsethos is een goed voorbeeld. Hij klinkt neutraal, maar benadeelt stilzwijgend wie voor hard werk niet eerlijk betaald wordt, zoals ongedocumenteerde werkers en huisvrouwen. Ook "liberale" ideeën kunnen geweld rechtvaardigen, zoals Bush die de onderdrukking van vrouwen door de Taliban als reden noemde om Afghanistan binnen te vallen.
De theorie geeft een empirische toets. Een ideologie werkt als hierarchy-enhancing als instemming ermee de steun voor ongelijkheid-vergrotend beleid verhoogt. Of als die instemming de schakel is tussen SDO en die steun.
Dit is een mediatiehypothese: SDO werkt op beleid via een mythe. De samenvatting geeft er het sjabloon voor. Vul het in voor deze casus:
Denk daarna na over wat je moet meten om de schakel aan te tonen. Je hebt SDO nodig, instemming met de mythe en steun voor anoniem solliciteren. Wat moet er gebeuren met het verband tussen SDO en die steun als je de mythe meeneemt?
En een lastige: iemand kan tegen anoniem solliciteren zijn uit principe, omdat hij weinig van overheidsregels houdt. Hoe zou je dat onderscheiden van een hierarchy-enhancing functie?
Vraag eerst hoe de outgroup eruitziet in de ogen van de bevooroordeelde persoon. Lijkt de groep bedreigend voor orde, normen of veiligheid? Dan wijst het naar RWA. Lijkt de groep zwak of concurrerend in een strijd om status? Dan wijst het naar SDO.
Het dual-process model (Duckitt, 2006) zet dat in twee ketens. RWA loopt via een gevaarlijk wereldbeeld en waargenomen dreiging naar een "heet" vooroordeel. SDO loopt via een competitief wereldbeeld en competitiviteit naar een "koud" vooroordeel: minachting voor een groep die incompetent lijkt. Het college laat het zien met twee groepen. Bij drugsdealers loopt het effect van RWA via dreiging. Bij werklozen loopt het effect van SDO via competitiviteit.
Een etnische minderheid kan tegelijk bedreigend en ondergeschikt lijken. Dan voorspellen beide vooroordeel, maar bij verschillende mensen en om verschillende redenen. Benoem op de toets de hele keten, niet alleen het eindpunt.
De intuïtie zegt: bij mensen met een lage RWA of SDO, want die staan er al open voor. Dhont en Van Hiel leidden dat ook af, en hun hypothese bleek fout. Positief contact verminderde racisme juist sterker bij mensen met een hoge RWA of SDO.
Bouw daar zelf een hypothese uit met RWA als moderator: een kenmerk dat bepaalt hoe sterk een effect is.
Maak de hypothese af. En denk dan aan de keerzijde uit hetzelfde onderzoek: negatief contact verhoogde racisme alleen bij hoge scorers. Wat betekent dat voor de vraag of de gemeente zo'n avond moet organiseren?
Ze meten niet hetzelfde. Een gevoelsthermometer meet de affectieve component: hoe warm of koel voel je je bij een groep, van 0 tot 100 graden. Een differentiële meting trekt die score af van de score voor de eigen groep. Schalen voor nieuw racisme (symbolic racism, modern racism, racial resentment) vragen iets anders. Komen achterstanden door te weinig inzet? Eisen minderheden te veel? Is discriminatie voorbij? Hebben ze al meer gekregen dan ze verdienen?
In Amerikaanse data uit 2008 had volgens differentiële afkeer 19 procent van de witte Amerikanen een vooroordeel, volgens symbolic racism 59 procent. Wie geen afkeer voelt, kan dus toch vinden dat steun voor minderheden onterecht is. Nieuw-racismeschalen voorspellen ook het best hoe mensen over raciaal beleid denken.
Er is wel kritiek. Misschien meten ze deels gewoon conservatieve opvattingen (principled politics). En na acht vragen over één groep is het doel van de onderzoeker vrij duidelijk, dus helemaal verhuld zijn ze niet.
Begin bij wat het college over impliciete bias zegt. Impliciete houdingen voorspellen gedrag slecht als mensen tijd hebben om na te denken, en beter bij spontaan gedrag. Gallo en collega's (2013) vonden dat bij scheidsrechters: alleen in het middenveld, waar ze snel moeten beslissen, kregen spelers uit minderheden vaker een kaart.
Probeer de afleiding:
Denk daarna aan de meting zelf. De test-hertestbetrouwbaarheid van de IAT is maar .40, en de samenhang met discriminatie ligt tussen .13 en .24. Wat doet dat met de kans dat je je hypothese kunt bevestigen, ook als hij klopt? En zou een lijstexperiment hier een alternatief zijn, of meet dat iets anders?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Understanding prejudice: intergroup relations · Oefenen met Understanding prejudice: intergroup relations · Bekijk prijzen