ISW jaar 2 · UU (UP)

Samenvatting Understanding prejudice: intergroup relations

De complete samenvatting van Understanding prejudice: intergroup relations (UP) bij ISW aan de UU, in de volgorde van de colleges: per week de kern, de begrippen en de verbanden die je op het tentamen nodig hebt. Week 1 en 2 lees je gratis met een account in de reader.

Literatuur: Ellemers & Haslam (2012), Operario & Fiske (2003), Pratto & Stewart (2012) en de hoorcolleges

11 hoofdstukken in 6 weken · 266 flashcards · 110 oefenvragen · 33 open vragen met modelantwoord

Complete Bundel Prejudice · MERM: €22,00 eenmalig (los €28,00 — je bespaart €6,00). Betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Verder lezen

De rest van Understanding prejudice: intergroup relations in één keer: eenmalig betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.

Bekijk prijzen · Oefenen met Understanding prejudice: intergroup relations · Veelgemaakte fouten bij Understanding prejudice: intergroup relations

Vragen bij Understanding prejudice: intergroup relations

Is SIT niet gewoon: wie zich met zijn groep identificeert, bevoordeelt die groep?

Nee, en Ellemers en Haslam noemen dat juist een hardnekkig misverstand. De minimal group studies waren de aanleiding voor de theorie, niet de kern. Wie SIT samenvat als "identificatie leidt tot ingroup bias", mist het belangrijkste deel.

De kern is dat mensen een positieve, onderscheidende sociale identiteit zoeken. Lukt dat niet, dan kiezen ze een van drie strategieën. Individual mobility: als individu de groep verlaten. Social creativity: de vergelijking anders inrichten. Social competition: als groep de status quo aanvechten. Welke strategie het wordt, hangt af van drie subjectieve inschattingen. Permeability: kun je als individu naar een andere groep? Stability: is het statusverschil blijvend? Legitimacy: is het verschil rechtvaardig?

Krijg je op de toets een casus over een groep met lage status, stop dan dus niet bij ingroup favoritism. Benoem de drie kenmerken zoals de groep ze ziet, en leid daar de strategie uit af.

Mbo-studenten zien hun opleiding vaak lager gewaardeerd dan hbo of wo. Welke strategie voorspelt SIT voor hen?

Begin bij de wet. Volgens Ellemers en Haslam maken doorlaatbare grenzen individual mobility aantrekkelijk. Ondoordringbare grenzen binden mensen aan hun groep, zodat ze verbetering als groep zoeken.

Een afleiding kan er zo uitzien:

  • Law: hoe doorlaatbaarder leden van een groep met lage status de grenzen zien, hoe vaker ze voor individual mobility kiezen in plaats van een groepsstrategie.
  • Condition: mbo-studenten die een doorstroomroute naar het hbo zien, ervaren de grens als doorlaatbaarder dan mbo-studenten die die route niet zien.
  • Hypothesis: ...

Maak de hypothese zelf af, met een vergelijking en een richting. Kijk dan naar legitimacy. Wat voorspel je voor mbo-studenten die het statusverschil onterecht vinden, maar wel kunnen doorstromen? En klopt je voorspelling met het collegeschema, of alleen met het hoofdstuk?

Wat is nu precies het verschil tussen explanans en explanandum, en waarom moet ik dat op de toets weten?

Het explanans is wat verklaart: de wet en de conditie samen. De wet is de algemene uitspraak uit de theorie (t → y). De conditie zegt dat jouw geval onder die wet valt (x is deel van t). Het explanandum is wat verklaard moet worden. In dit vak is dat de hypothese die uit die twee volgt (x → y).

Het onderscheid telt omdat bijna elke exam question vraagt om zo'n afleiding. Veel punten gaan verloren aan een hypothese die niet logisch uit wet en conditie volgt. Controleer daarom twee dingen. Komt het begrip uit de wet terug in de conditie? En vergelijkt je hypothese twee groepen of twee niveaus, met een richting?

Let ook op de richting van het redeneren. Van wet naar hypothese is deductie (van algemeen naar specifiek). Van herhaalde waarnemingen naar een wet is inductie. Op de toets doe je bijna altijd het eerste.

Kan ik over de kamernood in Utrecht ook een group-threat hypothesis maken, en niet alleen een individual-threat hypothesis?

De samenvatting geeft al de individuele versie: kamerzoekers zijn negatiever over internationale studenten dan studenten met een kamer. De wet uit RGCT blijft gelijk: hoe meer ervaren concurrentie, hoe negatiever de houding tegenover de outgroup. Voor een group-threat hypothesis moet je alleen de conditie veranderen. Die moet dan over een context gaan, niet over een kenmerk van personen.

Denk aan steden of jaren waarin het kamertekort groter is. Dan vergelijk je niet Fleur met Sjors, maar Utrecht met een stad waar kamers makkelijker te vinden zijn. Of Utrecht in een krap jaar met Utrecht in een ruimer jaar.

Formuleer zelf de conditie en de hypothese. En denk na over je ontwerp: wat meet je, bij wie, en op welk niveau? Wat betekent het als je de individuele hypothese bevestigt, maar de hypothese over steden niet?

Waarom maakt het zo'n verschil dat deelnemers in het minimal group experiment soms 11 tegen 5 kozen?

Omdat die keuze laat zien wat mensen echt willen. In die matrix stijgen de punten voor beide groepen samen. Wie 23 tegen 29 kiest, geeft de eigen groep het meeste (maximum ingroup profit) en beide samen ook (maximum joint profit). Wie 11 tegen 5 kiest, geeft de eigen groep minder punten. Het enige wat hij wint, is dat de andere groep er nog slechter vanaf komt: maximum difference.

Het ging deelnemers dus niet om veel krijgen, maar om meer krijgen dan de ander. En dat bij groepen die op een betekenisloos criterium waren ingedeeld, het schatten van stippen. Daarom concludeerde Tajfel dat sociale categorisatie op zich al genoeg is voor intergroup bias: de eigen groep bevoordelen ten opzichte van de andere.

Op de toets helpt het om de strategie te benoemen bij een keuze. Kies je de kolom waar het verschil het grootst is, ook als de eigen groep er punten voor inlevert? Dan is het MD.

Als een Nederlandse sporter met een migratieachtergrond de WK-finale beslist, wordt de meerderheid dan positiever over zijn hele groep?

Hier botsen twee lijnen uit de colleges. Auer en Ruedin (2023) vonden in Zwitserland dat een doelpunt van Shaqiri de achterstand van Kosovaars-Albanese sollicitanten liet verdwijnen. Dat past bij dual identification: zien dat leden van de outgroup zich ook met jouw groep identificeren. Maar bij Obama ging het andersom. De houding tegenover hem raakte los van die tegenover Afro-Amerikanen. Dat is subtyping: de uitzondering apart zetten zodat het stereotype blijft staan.

Probeer uit beide een hypothese af te leiden. Een mogelijke wet: hoe zichtbaarder het is dat een outgrouplid zich ook met de eigen groep identificeert, hoe positiever de houding tegenover zijn groep. Wat wordt dan de conditie bij de sporter? En hoe ziet de tegenhypothese eruit als je vanuit subtyping redeneert?

De vraag die blijft: welk kenmerk van de situatie bepaalt of de meerderheid generaliseert of de sporter wegzet als uitzondering?