ISW jaar 2 · UU (UP)
Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Understanding prejudice: intergroup relations doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.
Deze pagina gaat niet over de stof van Understanding Prejudice, maar over de vorm van de toetsing. Je eindcijfer komt uit één tentamen op de campus, en meedoen kan pas als je vier pass/fail-assignments hebt gehaald. De precieze vorm en datum van het tentamen zijn nog niet bekend; de colleges oefenen wel steeds met casussen waarin je een theorie toepast en een hypothese afleidt. De twaalf onderwerpen hieronder komen uit de zes weken die nu online staan. De vijf grafieken tonen steeds dezelfde onderwerpen vanuit een andere hoek: waar de stof zit, waar de punten liggen, wat zwaar is, en hoe je je tijd verdeelt. Klik een onderwerp aan om het in alle grafieken tegelijk te volgen.
| Onderwerp | Aandeel in de stof | verwachte punten | Moeilijkheid | Studietijd |
|---|---|---|---|---|
| Theorie en hypothesen afleiden | 9% | 10% | 4 van 5 | 10% |
| Social identity theory | 13% | 13% | 4 van 5 | 13% |
| Outgroup homogeneity en othering | 4% | 4% | 2 van 5 | 4% |
| Self-categorization theory en gedeelde identiteit | 8% | 8% | 4 van 5 | 9% |
| Stereotype Content Model en BIAS map | 7% | 8% | 3 van 5 | 8% |
| Stereotyperen als denkproces | 5% | 5% | 3 van 5 | 5% |
| Groepsconflict en dreiging | 10% | 10% | 3 van 5 | 9% |
| De contacthypothese | 7% | 8% | 3 van 5 | 8% |
| Waarom en wanneer contact werkt | 8% | 8% | 4 van 5 | 8% |
| RWA en SDO | 10% | 10% | 4 van 5 | 10% |
| Social dominance theory | 9% | 7% | 4 van 5 | 8% |
| Vooroordeel meten | 10% | 9% | 3 van 5 | 8% |
De stof van Understanding Prejudice is opvallend gelijkmatig verdeeld: elke week brengt één of twee grote theorieën, en geen enkel onderwerp domineert. Social identity theory is het grootste segment, want twee colleges en het hoofdstuk van Ellemers en Haslam gaan er volledig over. Daarna volgen drie onderwerpen die elk ongeveer even groot zijn: Groepsconflict en dreiging, RWA en SDO, en Vooroordeel meten. Samen met social identity theory vullen die vier ruim twee vijfde van de stof. Het grootste segment is ruim drie keer zo groot als het kleinste, Outgroup homogeneity en othering. Theorie en hypothesen afleiden ziet er in de donut gewoon uit, maar dat is misleidend: het is het enige onderwerp dat in bijna elke week terugkomt, omdat elke theorie uiteindelijk in een wet, een conditie en een hypothese moet passen. Let erop dat deze analyse alleen de zes weken dekt die nu online staan. Het blok loopt door en de latere colleges komen er nog bij.
Zo pak je het aan: Lees de donut als een kaart van theorieën, niet van weken. Week 4 en week 5 bestaan elk uit twee onderwerpen die op het tentamen apart gevraagd kunnen worden.
De vorm van het tentamen staat nog niet vast, maar de colleges oefenen steeds met casussen waarin je een theorie toepast en een hypothese afleidt. Punten volgen daarom niet alleen de ruimte in de stof, maar ook hoe goed een onderwerp zich in zo'n casus laat vangen. Daardoor schuiven de staven ten opzichte van de vorige grafiek. Theorie en hypothesen afleiden, het Stereotype Content Model en de contacthypothese leveren naar verwachting iets meer op dan hun ruimte, want ze geven een scherpe regel waarmee je iets voorspelt. Social dominance theory beweegt de andere kant op: het is een breed verhaal over samenlevingen, en alleen de legitimizing myths en de koppeling met SDO laten zich goed in een casus gieten. Bovenaan verandert er weinig. De vijf onderwerpen met de meeste punten, met social identity theory voorop, dragen samen ruim de helft.
Zo pak je het aan: Oefen per theorie de kernwet in één zin. Een antwoord op een casusvraag scoort pas als je het begrip noemt én laat zien waar het in de casus zit.
Wat dit vak zwaar maakt, is zelden een moeilijke definitie. Het is het kiezen en combineren. De zwaarste onderwerpen zijn de onderwerpen waarin je een redenering moet opbouwen: social identity theory vraagt dat je eerst permeability, stability en legitimacy beoordeelt voordat je een strategie noemt, en de colleges en het boek leggen de strategieën net anders in het schema. Self-categorization theory stapelt drie modellen op elkaar (CIIM, ingroup projection en indispensability) die over dezelfde overkoepelende identiteit tegengestelde dingen zeggen. Bij RWA en SDO moet je aan de casus zien welke van twee routes speelt. Theorie en hypothesen afleiden is zwaar omdat een kleine fout in de conditie de hele afleiding laat vallen. De lichtere onderwerpen, zoals Outgroup homogeneity en othering, draaien om één mechanisme dat je herkent zodra je het een keer goed hebt gezien.
Zo pak je het aan: Zet bij elk zwaar onderwerp twee theorieën naast elkaar en schrijf op waarin hun voorspelling verschilt. Juist dat verschil is wat een casusvraag test.
Drie onderwerpen staan rechtsboven, bij Eerst leren: social identity theory, Theorie en hypothesen afleiden, en RWA en SDO. Ze leveren veel punten op en kosten veel denkwerk, dus daar gaat je beste tijd naartoe. Groepsconflict en dreiging en Vooroordeel meten zijn Snelle punten: ze wegen zwaar, maar de redenering is overzichtelijk zodra je de stappen kent. Bij Kost tijd staan Self-categorization theory, Waarom en wanneer contact werkt en Social dominance theory: lastig, met iets minder punten. Het Stereotype Content Model en de contacthypothese liggen bij Bijvangst, maar net onder de grens. Behandel ze dus niet als bijzaak, want het zijn twee van de scherpste voorspellende modellen van het vak.
Zo pak je het aan: Begin met Theorie en hypothesen afleiden, want die vaardigheid maakt elk ander onderwerp sneller te oefenen. Een theorie die je kunt omzetten in een wet en een conditie, onthoud je ook beter.
De laatste grafiek zet de punten om in tijd, met extra gewicht voor wat moeilijk is. Social identity theory krijgt het grootste blok, gevolgd door Theorie en hypothesen afleiden en RWA en SDO. Die drie samen vragen ongeveer een derde van je tijd. Daarna volgen Self-categorization theory en Groepsconflict en dreiging. De rest verdeelt zich gelijkmatig, met Outgroup homogeneity en othering als kleinste post. Gebruik je assignments als oefenmoment: ze zijn pass/fail en een voorwaarde voor het tentamen, maar ze vragen hetzelfde als de casusvragen uit de colleges. Plan na elk onderwerp een uur waarin je een nieuwsbericht pakt en er met die theorie een hypothese uit afleidt.
Zo pak je het aan: Herhaal Theorie en hypothesen afleiden niet als los blok, maar verweef het: elke keer dat je een theorie leert, schrijf je er één afleiding bij in drie regels.
Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.
Wat er misgaat: Je schrijft als hypothese iets als "werkloosheid leidt tot vooroordeel" of herhaalt de wet in andere woorden. Er staat geen groep of situatie tegenover, en er komt een begrip in voor dat niet in de wet of de conditie stond.
Hoe het wel moet: Schrijf drie genummerde regels: Law met de theorie erbij, Condition die het begrip uit de wet terugbrengt in de casus, en Hypothesis die twee groepen of situaties vergelijkt, bijvoorbeeld "werkloze autochtonen zijn negatiever over migranten dan werkende autochtonen".
Waardoor het komt: De wet is algemeen en voelt al als een voorspelling, dus het lijkt genoeg om hem op de casus te plakken. Maar de hypothese moet volgen uit wet én conditie samen, en pas toetsbaar worden doordat ze twee groepen of twee niveaus vergelijkt en een richting noemt.
Waaraan je het herkent: Je hypothese is zonder de casus ook waar, of je kunt niet zeggen met welke groep je de uitkomst vergelijkt.
Wat er misgaat: Je verklaart vooroordeel tegenover werklozen of een zwakke minderheid met RWA, of afkeer van groepen die de orde lijken te bedreigen met SDO.
Hoe het wel moet: Kijk hoe de outgroup in de casus wordt neergezet. Bedreigend voor orde, veiligheid of normen wijst naar RWA via dangerous world beliefs en waargenomen dreiging, heet vooroordeel. Zwak, incompetent of concurrerend om status wijst naar SDO via competitive-jungle beliefs en competitiviteit, koud vooroordeel. Benoem de hele keten.
Waardoor het komt: Beide schalen hangen samen met vooroordeel en conservatisme, en etnische minderheden kunnen tegelijk bedreigend en ondergeschikt lijken. Zonder het dual-process model lijken ze uitwisselbaar.
Waaraan je het herkent: Je noemt RWA of SDO zonder het woord dreiging of competitiviteit te gebruiken.
Wat er misgaat: Je leidt uit een conditie over een land of buurt een hypothese af over personen, of andersom: de stijgende werkloosheid in een regio wordt "werklozen zijn negatiever".
Hoe het wel moet: Bepaal eerst het niveau van de conditie. Gaat ze over een context (werkloosheid in een land), dan voorspel je iets over contexten: de group-threat hypothesis. Gaat ze over een kenmerk van personen (zelf werkloos zijn), dan voorspel je iets over categorieën van personen: de individual-threat hypothesis.
Waardoor het komt: Beide hypothesen komen uit dezelfde wet van RGCT, dus ze lijken uitwisselbaar. Het verschil zit alleen in de conditie, en die lees je makkelijk over.
Waaraan je het herkent: In je conditie staat een land, regio of buurt, maar in je hypothese staan mensen met een bepaald kenmerk, of omgekeerd.
Wat er misgaat: Bij een casus over een groep met lage status noem je meteen social competition of stop je bij ingroup favoritism, zonder te zeggen waarom de groep juist die weg kiest.
Hoe het wel moet: Loop het schema af: streven naar een positieve, onderscheidende identiteit, vergelijking valt ongunstig uit, dan permeability, stability en legitimacy zoals de groep ze ziet. Dichte grenzen en een instabiele of onrechtvaardige situatie maken social competition aannemelijk, open grenzen individual mobility, een stabiele situatie met dichte grenzen social creativity.
Waardoor het komt: De minimal group studies zijn het bekendste deel van SIT, dus de theorie lijkt neer te komen op "identificatie geeft bias". Ellemers en Haslam noemen dat een misverstand: de kern is dat de strategie afhangt van hoe de groep de verhoudingen ziet.
Waaraan je het herkent: In je antwoord komen de woorden permeable, stable of legitimate niet voor, terwijl je wel een strategie noemt.
Wat er misgaat: Je zegt dat een rijke groep kil lijkt omdat ze hoge status heeft, of dat een arme groep incompetent lijkt omdat ze concurreert.
Hoe het wel moet: Status voorspelt competence, concurrentie voorspelt warmth. Een groep met hoge status die ook concurreert krijgt het envious stereotype (bekwaam maar kil); lage status zonder concurrentie geeft het paternalistic stereotype (warm maar onbekwaam). Koppel daarna de emotie uit de BIAS map.
Waardoor het komt: Status en concurrentie hangen in het dagelijks leven vaak samen, en warmth en competence klinken allebei als een algemeen oordeel. Daardoor wisselen de twee oorzaken makkelijk van plek.
Waaraan je het herkent: Je kunt niet in één zin zeggen welke structurele relatie in de casus voor welke dimensie zorgt.
Wat er misgaat: Je wijst RGCT af omdat migranten in de casus in werkelijkheid geen banen afpakken, of je noemt een conflict niet-realistisch omdat de dreiging overdreven is.
Hoe het wel moet: Scheid twee vragen. Waar gaat het conflict over (een schaars middel, dus realistisch in de zin van RGCT en Coser)? En is de concurrentie objectief of alleen waargenomen? Volgens het Thomas-theorema en de keten van Blalock heeft ook gevoelde dreiging echte gevolgen.
Waardoor het komt: In gewone taal betekent realistisch dat iets echt zo is. In RGCT slaat het woord op het soort conflict, een strijd om een concreet middel, en volgens Blalock telt voor vooroordeel vooral de gevoelde dreiging.
Waaraan je het herkent: Je gebruikt cijfers over de werkelijke arbeidsmarkt als argument tegen een RGCT-verklaring.
Wat er misgaat: Je voorspelt met de contacthypothese minder vooroordeel in een buurt of klas omdat daar veel leden van de outgroup wonen of zitten.
Hoe het wel moet: Vraag eerst of er echt contact is, onder welke voorwaarden, en of het positief of negatief wordt ervaren. Alleen nabijheid sluit beter aan bij RGCT: meer outgroupleden geven meer dreiging, tenzij er echt contact ontstaat (Schlueter en Scheepers, 2010).
Waardoor het komt: Contact klinkt als samen in één ruimte zijn, en een hoger aandeel outgroupleden is in onderzoek een makkelijk te meten variabele. Allport liet al zien dat wonen naast elkaar iets anders is dan elkaar echt ontmoeten.
Waaraan je het herkent: In je antwoord staat een percentage of aantal outgroupleden, maar geen woord over vriendschap, samenwerking of de kwaliteit van de omgang.
Wat er misgaat: Je voorspelt met het Common Ingroup Identity Model dat een overkoepelende identiteit, zoals Europeaan of UU-student, vooroordeel altijd vermindert.
Hoe het wel moet: Vraag wie zich als het prototype van de overkoepelende categorie ziet. Ziet de eigen groep zich als typischer, dan voorspelt het IPM meer vooroordeel en minder steun voor rechten van minderheden. Noem ook de nadelen van het CIIM en indispensability als alternatief voor minderheden.
Waardoor het komt: Het CIIM is het hoopvolle deel van SCT en het eerste dat je leert. Het Ingroup Projection Model gaat over precies dezelfde situatie en voorspelt het tegendeel, maar alleen onder een extra voorwaarde.
Waaraan je het herkent: Je antwoord over een overkoepelende identiteit noemt prototypicality niet.
Wat er misgaat: Zodra er in een casus geweld of rellen voorkomen, noem je het conflict volgens Coser niet-realistisch.
Hoe het wel moet: Vraag of de agressie een middel is voor een concreet doel dat ook langs een andere weg had gekund (realistisch, de middelen zijn inwisselbaar), of dat de agressie zelf het doel is en het doelwit willekeurig (niet-realistisch, het object is inwisselbaar).
Waardoor het komt: Niet-realistisch conflict draait om agressie, dus elk heftig incident lijkt erin te passen. Het onderscheid gaat echter over wat het doel is en wat inwisselbaar is, niet over hoe heftig het eraan toegaat.
Waaraan je het herkent: Je kunt niet zeggen wat de betrokkenen met het conflict wilden bereiken, maar noemt het toch niet-realistisch.
Wat er misgaat: Je legt het effect van contact uit met "ze leren dat het stereotype niet klopt" en voorspelt dat stereotypen sterker dalen dan afkeer.
Hoe het wel moet: Noem de affectieve mediatoren: minder intergroup anxiety, meer empathy, ook vertrouwen, perspective taking en self-disclosure, het sterkst in vriendschappen. Kennis noem je hooguit als kleinere route.
Waardoor het komt: Allport dacht precies dat, en het klinkt logisch. De meta-analyses vinden echter dat kennis maar een zwakke mediator is en dat contact affectief vooroordeel sterker verlaagt dan cognitief.
Waaraan je het herkent: Je enige mediator is "meer informatie over de groep".
Wat er misgaat: Je noemt een idee als vrouwenrechten of democratie automatisch hierarchy-attenuating, en een harde uitspraak automatisch hierarchy-enhancing.
Hoe het wel moet: Bepaal het type aan de functie: vergroot instemming met het idee de steun voor beleid dat ongelijkheid in stand houdt, of is het de schakel tussen SDO en dat beleid, dan werkt het als hierarchy-enhancing.
Waardoor het komt: De voorbeelden in de stof sluiten vaak aan bij je gevoel: racisme versterkt, mensenrechten verzwakken. Pratto en Stewart laten echter zien dat ook liberale idealen geweld kunnen rechtvaardigen.
Waaraan je het herkent: Je oordeel over het type zou hetzelfde blijven als je niet wist waarvoor het idee in de casus wordt ingezet.
Wat er misgaat: Je noemt het lijstexperiment een manier om onbewuste bias te meten, of je gebruikt het om het vooroordeel van één respondent vast te stellen.
Hoe het wel moet: Het lijstexperiment omzeilt sociale wenselijkheid: de respondent weet wat hij vindt, maar hoeft het niet te zeggen. Het geeft alleen een aandeel voor de hele steekproef. Impliciete metingen als de IAT en de AMP gaan over automatische associaties waar iemand zich niet bewust van hoeft te zijn.
Waardoor het komt: Het lijstexperiment en de IAT omzeilen allebei de directe vraag, dus ze lijken op elkaar. Maar ze lossen een ander probleem op.
Waaraan je het herkent: Je beschrijft een lijstexperiment en gebruikt daarbij het woord onbewust of een individuele score.
De samenvatting van Understanding prejudice: intergroup relations volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.
Begin gratis met week 1 · Samenvatting Understanding prejudice: intergroup relations · Bekijk prijzen
Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.