ISW jaar 2 · UU (UP)

Tentamenanalyse Understanding prejudice: intergroup relations

Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Understanding prejudice: intergroup relations doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.

Deze pagina gaat niet over de stof van Understanding Prejudice, maar over de vorm van de toetsing. Je eindcijfer komt uit één tentamen op de campus, en meedoen kan pas als je vier pass/fail-assignments hebt gehaald. De precieze vorm en datum van het tentamen zijn nog niet bekend; de colleges oefenen wel steeds met casussen waarin je een theorie toepast en een hypothese afleidt. De twaalf onderwerpen hieronder komen uit de zes weken die nu online staan. De vijf grafieken tonen steeds dezelfde onderwerpen vanuit een andere hoek: waar de stof zit, waar de punten liggen, wat zwaar is, en hoe je je tijd verdeelt. Klik een onderwerp aan om het in alle grafieken tegelijk te volgen.

Onderwerpen van Understanding prejudice: intergroup relations naar aandeel, verwachte punten, moeilijkheid en studietijd
OnderwerpAandeel in de stofverwachte puntenMoeilijkheidStudietijd
Theorie en hypothesen afleiden9%10%4 van 510%
Social identity theory13%13%4 van 513%
Outgroup homogeneity en othering4%4%2 van 54%
Self-categorization theory en gedeelde identiteit8%8%4 van 59%
Stereotype Content Model en BIAS map7%8%3 van 58%
Stereotyperen als denkproces5%5%3 van 55%
Groepsconflict en dreiging10%10%3 van 59%
De contacthypothese7%8%3 van 58%
Waarom en wanneer contact werkt8%8%4 van 58%
RWA en SDO10%10%4 van 510%
Social dominance theory9%7%4 van 58%
Vooroordeel meten10%9%3 van 58%

Aandeel in de tentamenstof

De stof van Understanding Prejudice is opvallend gelijkmatig verdeeld: elke week brengt één of twee grote theorieën, en geen enkel onderwerp domineert. Social identity theory is het grootste segment, want twee colleges en het hoofdstuk van Ellemers en Haslam gaan er volledig over. Daarna volgen drie onderwerpen die elk ongeveer even groot zijn: Groepsconflict en dreiging, RWA en SDO, en Vooroordeel meten. Samen met social identity theory vullen die vier ruim twee vijfde van de stof. Het grootste segment is ruim drie keer zo groot als het kleinste, Outgroup homogeneity en othering. Theorie en hypothesen afleiden ziet er in de donut gewoon uit, maar dat is misleidend: het is het enige onderwerp dat in bijna elke week terugkomt, omdat elke theorie uiteindelijk in een wet, een conditie en een hypothese moet passen. Let erop dat deze analyse alleen de zes weken dekt die nu online staan. Het blok loopt door en de latere colleges komen er nog bij.

Zo pak je het aan: Lees de donut als een kaart van theorieën, niet van weken. Week 4 en week 5 bestaan elk uit twee onderwerpen die op het tentamen apart gevraagd kunnen worden.

Puntenverdeling per onderwerp

De vorm van het tentamen staat nog niet vast, maar de colleges oefenen steeds met casussen waarin je een theorie toepast en een hypothese afleidt. Punten volgen daarom niet alleen de ruimte in de stof, maar ook hoe goed een onderwerp zich in zo'n casus laat vangen. Daardoor schuiven de staven ten opzichte van de vorige grafiek. Theorie en hypothesen afleiden, het Stereotype Content Model en de contacthypothese leveren naar verwachting iets meer op dan hun ruimte, want ze geven een scherpe regel waarmee je iets voorspelt. Social dominance theory beweegt de andere kant op: het is een breed verhaal over samenlevingen, en alleen de legitimizing myths en de koppeling met SDO laten zich goed in een casus gieten. Bovenaan verandert er weinig. De vijf onderwerpen met de meeste punten, met social identity theory voorop, dragen samen ruim de helft.

Zo pak je het aan: Oefen per theorie de kernwet in één zin. Een antwoord op een casusvraag scoort pas als je het begrip noemt én laat zien waar het in de casus zit.

Moeilijkheidsgraad van de onderwerpen

Wat dit vak zwaar maakt, is zelden een moeilijke definitie. Het is het kiezen en combineren. De zwaarste onderwerpen zijn de onderwerpen waarin je een redenering moet opbouwen: social identity theory vraagt dat je eerst permeability, stability en legitimacy beoordeelt voordat je een strategie noemt, en de colleges en het boek leggen de strategieën net anders in het schema. Self-categorization theory stapelt drie modellen op elkaar (CIIM, ingroup projection en indispensability) die over dezelfde overkoepelende identiteit tegengestelde dingen zeggen. Bij RWA en SDO moet je aan de casus zien welke van twee routes speelt. Theorie en hypothesen afleiden is zwaar omdat een kleine fout in de conditie de hele afleiding laat vallen. De lichtere onderwerpen, zoals Outgroup homogeneity en othering, draaien om één mechanisme dat je herkent zodra je het een keer goed hebt gezien.

Zo pak je het aan: Zet bij elk zwaar onderwerp twee theorieën naast elkaar en schrijf op waarin hun voorspelling verschilt. Juist dat verschil is wat een casusvraag test.

Waar leg je je prioriteit?

Drie onderwerpen staan rechtsboven, bij Eerst leren: social identity theory, Theorie en hypothesen afleiden, en RWA en SDO. Ze leveren veel punten op en kosten veel denkwerk, dus daar gaat je beste tijd naartoe. Groepsconflict en dreiging en Vooroordeel meten zijn Snelle punten: ze wegen zwaar, maar de redenering is overzichtelijk zodra je de stappen kent. Bij Kost tijd staan Self-categorization theory, Waarom en wanneer contact werkt en Social dominance theory: lastig, met iets minder punten. Het Stereotype Content Model en de contacthypothese liggen bij Bijvangst, maar net onder de grens. Behandel ze dus niet als bijzaak, want het zijn twee van de scherpste voorspellende modellen van het vak.

Zo pak je het aan: Begin met Theorie en hypothesen afleiden, want die vaardigheid maakt elk ander onderwerp sneller te oefenen. Een theorie die je kunt omzetten in een wet en een conditie, onthoud je ook beter.

Je studieplan

De laatste grafiek zet de punten om in tijd, met extra gewicht voor wat moeilijk is. Social identity theory krijgt het grootste blok, gevolgd door Theorie en hypothesen afleiden en RWA en SDO. Die drie samen vragen ongeveer een derde van je tijd. Daarna volgen Self-categorization theory en Groepsconflict en dreiging. De rest verdeelt zich gelijkmatig, met Outgroup homogeneity en othering als kleinste post. Gebruik je assignments als oefenmoment: ze zijn pass/fail en een voorwaarde voor het tentamen, maar ze vragen hetzelfde als de casusvragen uit de colleges. Plan na elk onderwerp een uur waarin je een nieuwsbericht pakt en er met die theorie een hypothese uit afleidt.

Zo pak je het aan: Herhaal Theorie en hypothesen afleiden niet als los blok, maar verweef het: elke keer dat je een theorie leert, schrijf je er één afleiding bij in drie regels.

Kernbegrippen per onderwerp

Theorie en hypothesen afleiden

Deductive-nomological model
Een redenering in drie regels: een algemene wet (t → y), een conditie die jouw geval onder die wet brengt (x is deel van t) en de hypothese die daaruit volgt (x → y).
Law
De algemene uitspraak uit de theorie over een hele klasse gevallen, bijvoorbeeld dat mensen fel reageren op een bedreiging van hun positieve sociale identiteit.
Condition
De specifieke situatie uit de casus waarvan je laat zien dat ze onder de wet valt; hier komt het begrip uit de wet terug, toegepast op de casus.
Explanans en explanandum
Wet en conditie samen vormen het explanans, wat verklaart; het explanandum is wat verklaard wordt, in dit model de afgeleide hypothese.
Deductie en inductie
Van wet en conditie naar hypothese is deductie, van boven naar beneden; van herhaalde waarnemingen naar een algemene wet is inductie.
Group-threat hypothesis
Een hypothese over contexten zoals buurten, regio's of landen, die volgt uit een conditie over de situatie, bijvoorbeeld de werkloosheid in een land.
Individual-threat hypothesis
Een hypothese over categorieën van personen, die volgt uit een conditie over iemands eigen positie, bijvoorbeeld zelf werkloos zijn.
Audit test
Een veldexperiment waarin testpersonen die alleen in één kenmerk verschillen zich precies hetzelfde gedragen, zoals Ayres (1995) bij autodealers.

Social identity theory

Minimal group experiment
Indeling op een betekenisloos criterium waarna deelnemers punten verdelen; ze kiezen zelfs maximum difference, dus minder voor de eigen groep zolang de ander nog minder krijgt.
Social identity
Het deel van je zelfbeeld dat voortkomt uit je lidmaatschap van een groep, samen met de emotionele waarde van dat lidmaatschap (Tajfel, 1974).
Social comparison
Groepen bepalen hun status door zich met andere groepen te vergelijken, omdat er geen objectieve maatstaf is.
Psychological group distinctiveness
Mensen willen bij een groep horen die niet alleen positief gewaardeerd wordt, maar zich ook duidelijk van andere groepen onderscheidt.
Individual mobility
Als individu de laagstatusgroep verlaten en bij de hogere groep proberen te horen; het helpt de persoon, niet de groep.
Social creativity
De vergelijking herdefiniëren: een andere dimensie, een andere vergelijkingsgroep of een nieuwe betekenis van het groepskenmerk, zonder de status quo te veranderen.
Social competition
Met collectieve actie de dominante groep uitdagen om de status van de hele groep te verhogen.
Permeability, stability, legitimacy
De drie subjectieve oordelen over de sociale structuur die bepalen of er cognitive alternatives zijn en dus welke strategie een groep kiest.

Outgroup homogeneity en othering

Outgroup homogeneity
Leden van een andere groep lijken meer op elkaar dan leden van de eigen groep: "ze zijn allemaal hetzelfde".
Other-race effect
Gezichten van de eigen groep worden vaker correct herkend en minder vaak ten onrechte herkend dan gezichten van een andere groep (Meissner en Brigham, 2001).
Distinctiveness threat
Vervaagt de grens tussen de eigen groep en een relevante outgroup, dan volgen afwijzing, afkeer en agressie.
Subtyping
Een outgrouplid dat niet in het stereotype past als uitzondering apart zetten, zodat het beeld van de groep blijft staan.
Dual identification
Zichtbaar maken dat leden van de outgroup zich ook met de eigen groep identificeren, wat de gevoelens tegenover die groep positiever maakt.

Self-categorization theory en gedeelde identiteit

Self-categorization theory (SCT)
Turners theorie dat mensen zichzelf op verschillende abstractieniveaus indelen, van uniek individu tot groepslid tot mens, en dat de context bepaalt welk niveau telt.
Salience
De mate waarin een categorie in een bepaalde situatie actief is en je waarneming en gedrag stuurt.
Metacontrast
Je rekent jezelf tot een categorie voor zover de verschillen binnen die categorie kleiner lijken dan de verschillen met andere categorieën.
Common Ingroup Identity Model (CIIM)
Groepen opnieuw indelen in één overkoepelende groep, zodat de vroegere outgroup gunstiger wordt bekeken; het risico is superficial inclusion.
Ingroup Projection Model (IPM)
Elke subgroep ziet zichzelf als het beste voorbeeld van de overkoepelende categorie, en wie dat sterker doet wordt negatiever over andere subgroepen.
Prototypicality
De mate waarin een groep of persoon lijkt op het typische voorbeeld van een categorie.
Group indispensability
De mate waarin een subgroep als nodig voor de overkoepelende categorie geldt, functioneel of voor de identiteit, ook als ze er niet typisch voor is.
Black-sheep effect
Een groepsgenoot die van de norm afwijkt wordt strenger beoordeeld dan een buitenstaander die hetzelfde doet.

Stereotype Content Model en BIAS map

Warmth
Of een groep goede bedoelingen lijkt te hebben; voorspeld door concurrentie, want een concurrent lijkt kil.
Competence
Of een groep haar bedoelingen kan waarmaken; voorspeld door status, want een groep met hoge status lijkt bekwaam.
Ambivalent stereotype
Een beeld dat positief en negatief tegelijk is, zoals aardig maar onbekwaam of bekwaam maar kil.
Paternalistic en envious stereotype
Warm maar incompetent (lage status, geen concurrent) roept pity op; competent maar kil (hoge status, wel concurrent) roept envy op.
BIAS map
Het SCM uitgebreid met emotie en gedrag: warmth stuurt actief helpen of aanvallen, competence stuurt passief optrekken of buitensluiten.
Caprariello e.a. (2009)
Experiment met de verzonnen "Wallonians" dat status en concurrentie manipuleerde; admiration, envy en pity verschenen zoals voorspeld, contempt niet.

Stereotyperen als denkproces

Stereotype en stereotyping
Het stereotype is een samenhangend geheel van overtuigingen over een groep; stereotyping is de manier van denken die het gebruikt.
Illusory correlation
Waarnemers koppelen een minderheid aan negatief gedrag omdat beide zeldzaam zijn en daardoor samen opvallen.
Self-fulfilling prophecy
Wie een stereotype heeft gedraagt zich zo dat de ander het bevestigt, zonder dat het stereotype waar hoeft te zijn.
Stereotype threat
Leden van een groep presteren slechter als ze aan het stereotype over hun groep worden herinnerd.
Continuum model
Indrukvorming loopt van automatische categorisatie via interpretatie en bijstellen naar een geïndividualiseerde indruk, afhankelijk van motivatie en informatie.
Subtyping en subgrouping
Subtyping zet afwijkende leden apart zodat het stereotype blijft; subgrouping maakt het beeld gevarieerder en verzwakt het stereotype.
Outcome dependency
Afhankelijk zijn van de ander voor je eigen resultaat, een van de motieven die mensen voorbij het stereotype laat kijken.
Macht en stereotyperen
Wie macht heeft stereotypeert meer, door weinig motivatie, aandacht elders of een wens tot domineren (Fiske, 1993).

Groepsconflict en dreiging

Sense of group position
Blumers idee dat een vooroordeel ontstaat als een dominante groep haar positie bedreigd ziet, met vier gevoelens: superioriteit, vreemdheid, een proprietary claim en angst.
Realistic Group Conflict Theory (RGCT)
Vooroordeel en conflict komen voort uit concurrentie om schaarse middelen, waarbij de winst van de ene groep het verlies van de andere is.
Robbers Cave
Sherifs zomerkamp in drie fasen: groepsvorming, competitie die vijandigheid gaf, en integratie die pas werkte met superordinate goals.
Realistic en nonrealistic conflict
Bij Coser is een conflict realistisch als het een middel is voor een concreet doel met alternatieve middelen, en niet-realistisch als de agressie zelf het doel is.
Blalock-keten
Echte concurrentie werkt alleen via waargenomen concurrentie en waargenomen dreiging door in vooroordeel.
Positive-negative asymmetry
Mensen geven de eigen groep consistent meer, maar nemen de andere groep niet consistent iets af; daarom vult RGCT SIT aan.
Realistic threat
Dreiging voor lijf, bezit, macht, middelen of welzijn, van het individu of van de groep (ITT).
Symbolic threat
Dreiging door andere waarden, normen of moraal, voor iemands zelfbeeld of voor het wereldbeeld van de groep (ITT).

De contacthypothese

Contact hypothesis
Contact tussen groepen vermindert vooroordeel, het best onder equal status, common goal, intergroup cooperation en support from authorities (Allport, 1954).
Proximity versus contact
Dichtbij wonen is iets anders dan elkaar echt ontmoeten; nabijheid zonder contact kan vooroordeel juist voeden.
Friendship potential
Pettigrews toevoeging dat contact de kans moet bieden om vrienden te worden; vriendschap is de sterkste maat voor contact geworden.
Pettigrew en Tropp (2006)
Meta-analyse van 515 studies: contact hangt samen met minder vooroordeel, sterker met de voorwaarden van Allport, maar ook zonder.
Zelfselectie (selection bias)
Het alternatief dat mensen met weinig vooroordeel zelf contact zoeken; experimenten, gedwongen contact en longitudinaal onderzoek sluiten het uit.
RGCT tegenover contacttheorie
Bij een groeiende outgroup voorspelt RGCT meer dreiging en de contacttheorie meer kans op positief contact; Schlueter en Scheepers (2010) vinden beide tegelijk.

Waarom en wanneer contact werkt

Mere exposure effect
Iets bekends wordt positiever beoordeeld dan iets onbekends; herhaalde blootstelling neemt angst en vermijding weg.
Mediator
Het tussenliggende proces dat verklaart hoe contact tot minder vooroordeel leidt, getoetst met metingen op drie momenten.
Intergroup anxiety en empathy
De twee belangrijkste mediatoren: contact verlaagt de angst voor ontmoetingen en verhoogt het begrip voor hoe de ander dingen beleeft.
Secondary transfer effect
Het contacteffect slaat over van de groep die je ontmoet naar groepen die niet bij het contact betrokken waren.
Extended contact
Weten dat iemand uit je eigen groep bevriend is met iemand uit de outgroup.
Parasocial contact
Eenzijdig contact via media met iemand uit de outgroup, zoals het Mo Salah-effect, het sterkst als de groepsidentiteit zichtbaar is.
Negative contact
Contact dat als onprettig wordt ervaren; het verhoogt vooroordeel ongeveer even sterk als positief contact het verlaagt.
Sedative effect
Positief contact vermindert vooroordeel maar dempt ook de bereidheid van de benadeelde groep tot collectieve actie.

RWA en SDO

Authoritarian personality
Adorno's freudiaanse persoonlijkheidstype dat gezag gehoorzaamt en vijandigheid verschuift naar zwakkere groepen; strandde op de F-schaal en op Milgram.
Right-wing authoritarianism (RWA)
Altemeyers combinatie van authoritarian submission, authoritarian aggression en conventionalisme, aangeleerd in de socialisatie.
Social dominance orientation (SDO)
De algemene voorkeur voor ongelijke, hiërarchische verhoudingen tussen groepen in plaats van gelijke (Sidanius en Pratto, 1999).
Dangerous world beliefs
Het wereldbeeld van een gevaarlijke wereld dat RWA voedt en via waargenomen dreiging tot vooroordeel leidt.
Competitive-jungle world beliefs
Het wereldbeeld van een competitieve jungle dat SDO voedt en via competitiviteit tot vooroordeel leidt.
Dual-process model
Duckitts model waarin RWA vooroordeel voorspelt tegenover groepen die orde en veiligheid bedreigen, en SDO tegenover groepen die competitie oproepen of zwak lijken.
Heet en koud vooroordeel
Heet is angst voor een groep die bedreigend lijkt (RWA), koud is minachting voor een groep die zwak of incompetent lijkt (SDO).
Dhont en Van Hiel
Positief contact verminderde racisme juist sterker bij hoge RWA en SDO, wat erop wijst dat het ideologieën zijn die met de context meebewegen.

Social dominance theory

Group-based dominance hierarchy
Een samenleving waarin één groep onevenredig veel macht en voorrechten heeft en minstens één groep weinig politieke macht.
Institutional discrimination
Het ongelijk verdelen van onderwijs, zorg, krediet, banen en straffen door publieke en private instellingen.
Legitimizing myths
Breed gedeelde culturele ideologieën die geweld en discriminatie verhullen of aanvaardbaar maken.
Hierarchy-enhancing en hierarchy-attenuating
Mythes die ongelijkheid in stand houden of vergroten tegenover mythes die haar verkleinen, bepaald aan hun functie en niet aan hun inhoud.
Mediatietoets
Een ideologie werkt als hierarchy-enhancing als instemming ermee de schakel is tussen SDO en steun voor beleid dat ongelijkheid vergroot.
Confluence
De processen die dominantie bewaren vallen samen en versterken elkaar, zoals militarisme dat tegelijk landen, volken en sekse rangschikt.
Assortment
Mensen met een hoge SDO en leden van dominante groepen komen via zelfselectie, selectie, socialisatie en uitval vaker in hierarchy-enhancing rollen terecht.

Vooroordeel meten

Prejudice (Allport)
Een afkeer die rust op een onjuiste en starre generalisatie, met een cognitieve, affectieve en gedragscomponent.
Feeling thermometer
Een groep een score van 0 tot 100 graden geven; een differentiële meting trekt de score voor de outgroup af van die voor de eigen groep.
Old-fashioned racism
Racisme dat uitgaat van biologische minderwaardigheid van minderheden, zoals aangeboren minder leervermogen.
New racism
Vooroordeel dat biologische minderwaardigheid afwijst maar achterstanden wijt aan te weinig inzet, discriminatie ontkent en steun onterecht vindt; gemeten met symbolic racism, modern racism of racial resentment.
Principled politics
De kritiek dat schalen voor nieuw racisme misschien conservatieve opvattingen over overheidssteun meten in plaats van vooroordeel.
List experiment
Respondenten noemen alleen hoeveel uitspraken hen ergeren; het verschil tussen de groepen met en zonder gevoelige uitspraak geeft het aandeel voor de hele steekproef.
Implicit Association Test (IAT)
Een reactietijdtaak die meet hoe sterk een groep met goed of slecht verbonden is; matig betrouwbaar bij herhaling en vooral voorspellend voor spontaan gedrag.
Affect Misattribution Procedure (AMP)
Een impliciete meting waarin het gevoel dat een kort getoond beeld oproept ongemerkt het oordeel over een neutraal teken kleurt.

Waar het bij Understanding prejudice: intergroup relations meestal misgaat

Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.

Een hypothese zonder vergelijking

Wat er misgaat: Je schrijft als hypothese iets als "werkloosheid leidt tot vooroordeel" of herhaalt de wet in andere woorden. Er staat geen groep of situatie tegenover, en er komt een begrip in voor dat niet in de wet of de conditie stond.

Hoe het wel moet: Schrijf drie genummerde regels: Law met de theorie erbij, Condition die het begrip uit de wet terugbrengt in de casus, en Hypothesis die twee groepen of situaties vergelijkt, bijvoorbeeld "werkloze autochtonen zijn negatiever over migranten dan werkende autochtonen".

Waardoor het komt: De wet is algemeen en voelt al als een voorspelling, dus het lijkt genoeg om hem op de casus te plakken. Maar de hypothese moet volgen uit wet én conditie samen, en pas toetsbaar worden doordat ze twee groepen of twee niveaus vergelijkt en een richting noemt.

Waaraan je het herkent: Je hypothese is zonder de casus ook waar, of je kunt niet zeggen met welke groep je de uitkomst vergelijkt.

RWA en SDO verwisselen

Wat er misgaat: Je verklaart vooroordeel tegenover werklozen of een zwakke minderheid met RWA, of afkeer van groepen die de orde lijken te bedreigen met SDO.

Hoe het wel moet: Kijk hoe de outgroup in de casus wordt neergezet. Bedreigend voor orde, veiligheid of normen wijst naar RWA via dangerous world beliefs en waargenomen dreiging, heet vooroordeel. Zwak, incompetent of concurrerend om status wijst naar SDO via competitive-jungle beliefs en competitiviteit, koud vooroordeel. Benoem de hele keten.

Waardoor het komt: Beide schalen hangen samen met vooroordeel en conservatisme, en etnische minderheden kunnen tegelijk bedreigend en ondergeschikt lijken. Zonder het dual-process model lijken ze uitwisselbaar.

Waaraan je het herkent: Je noemt RWA of SDO zonder het woord dreiging of competitiviteit te gebruiken.

Group threat en individual threat door elkaar

Wat er misgaat: Je leidt uit een conditie over een land of buurt een hypothese af over personen, of andersom: de stijgende werkloosheid in een regio wordt "werklozen zijn negatiever".

Hoe het wel moet: Bepaal eerst het niveau van de conditie. Gaat ze over een context (werkloosheid in een land), dan voorspel je iets over contexten: de group-threat hypothesis. Gaat ze over een kenmerk van personen (zelf werkloos zijn), dan voorspel je iets over categorieën van personen: de individual-threat hypothesis.

Waardoor het komt: Beide hypothesen komen uit dezelfde wet van RGCT, dus ze lijken uitwisselbaar. Het verschil zit alleen in de conditie, en die lees je makkelijk over.

Waaraan je het herkent: In je conditie staat een land, regio of buurt, maar in je hypothese staan mensen met een bepaald kenmerk, of omgekeerd.

Een strategie noemen zonder de structuur te beoordelen

Wat er misgaat: Bij een casus over een groep met lage status noem je meteen social competition of stop je bij ingroup favoritism, zonder te zeggen waarom de groep juist die weg kiest.

Hoe het wel moet: Loop het schema af: streven naar een positieve, onderscheidende identiteit, vergelijking valt ongunstig uit, dan permeability, stability en legitimacy zoals de groep ze ziet. Dichte grenzen en een instabiele of onrechtvaardige situatie maken social competition aannemelijk, open grenzen individual mobility, een stabiele situatie met dichte grenzen social creativity.

Waardoor het komt: De minimal group studies zijn het bekendste deel van SIT, dus de theorie lijkt neer te komen op "identificatie geeft bias". Ellemers en Haslam noemen dat een misverstand: de kern is dat de strategie afhangt van hoe de groep de verhoudingen ziet.

Waaraan je het herkent: In je antwoord komen de woorden permeable, stable of legitimate niet voor, terwijl je wel een strategie noemt.

Warmth en competence aan de verkeerde oorzaak koppelen

Wat er misgaat: Je zegt dat een rijke groep kil lijkt omdat ze hoge status heeft, of dat een arme groep incompetent lijkt omdat ze concurreert.

Hoe het wel moet: Status voorspelt competence, concurrentie voorspelt warmth. Een groep met hoge status die ook concurreert krijgt het envious stereotype (bekwaam maar kil); lage status zonder concurrentie geeft het paternalistic stereotype (warm maar onbekwaam). Koppel daarna de emotie uit de BIAS map.

Waardoor het komt: Status en concurrentie hangen in het dagelijks leven vaak samen, en warmth en competence klinken allebei als een algemeen oordeel. Daardoor wisselen de twee oorzaken makkelijk van plek.

Waaraan je het herkent: Je kunt niet in één zin zeggen welke structurele relatie in de casus voor welke dimensie zorgt.

Realistisch lezen als objectief bestaand

Wat er misgaat: Je wijst RGCT af omdat migranten in de casus in werkelijkheid geen banen afpakken, of je noemt een conflict niet-realistisch omdat de dreiging overdreven is.

Hoe het wel moet: Scheid twee vragen. Waar gaat het conflict over (een schaars middel, dus realistisch in de zin van RGCT en Coser)? En is de concurrentie objectief of alleen waargenomen? Volgens het Thomas-theorema en de keten van Blalock heeft ook gevoelde dreiging echte gevolgen.

Waardoor het komt: In gewone taal betekent realistisch dat iets echt zo is. In RGCT slaat het woord op het soort conflict, een strijd om een concreet middel, en volgens Blalock telt voor vooroordeel vooral de gevoelde dreiging.

Waaraan je het herkent: Je gebruikt cijfers over de werkelijke arbeidsmarkt als argument tegen een RGCT-verklaring.

Nabijheid als contact tellen

Wat er misgaat: Je voorspelt met de contacthypothese minder vooroordeel in een buurt of klas omdat daar veel leden van de outgroup wonen of zitten.

Hoe het wel moet: Vraag eerst of er echt contact is, onder welke voorwaarden, en of het positief of negatief wordt ervaren. Alleen nabijheid sluit beter aan bij RGCT: meer outgroupleden geven meer dreiging, tenzij er echt contact ontstaat (Schlueter en Scheepers, 2010).

Waardoor het komt: Contact klinkt als samen in één ruimte zijn, en een hoger aandeel outgroupleden is in onderzoek een makkelijk te meten variabele. Allport liet al zien dat wonen naast elkaar iets anders is dan elkaar echt ontmoeten.

Waaraan je het herkent: In je antwoord staat een percentage of aantal outgroupleden, maar geen woord over vriendschap, samenwerking of de kwaliteit van de omgang.

Een gedeelde identiteit is altijd een oplossing

Wat er misgaat: Je voorspelt met het Common Ingroup Identity Model dat een overkoepelende identiteit, zoals Europeaan of UU-student, vooroordeel altijd vermindert.

Hoe het wel moet: Vraag wie zich als het prototype van de overkoepelende categorie ziet. Ziet de eigen groep zich als typischer, dan voorspelt het IPM meer vooroordeel en minder steun voor rechten van minderheden. Noem ook de nadelen van het CIIM en indispensability als alternatief voor minderheden.

Waardoor het komt: Het CIIM is het hoopvolle deel van SCT en het eerste dat je leert. Het Ingroup Projection Model gaat over precies dezelfde situatie en voorspelt het tegendeel, maar alleen onder een extra voorwaarde.

Waaraan je het herkent: Je antwoord over een overkoepelende identiteit noemt prototypicality niet.

Geweld betekent een niet-realistisch conflict

Wat er misgaat: Zodra er in een casus geweld of rellen voorkomen, noem je het conflict volgens Coser niet-realistisch.

Hoe het wel moet: Vraag of de agressie een middel is voor een concreet doel dat ook langs een andere weg had gekund (realistisch, de middelen zijn inwisselbaar), of dat de agressie zelf het doel is en het doelwit willekeurig (niet-realistisch, het object is inwisselbaar).

Waardoor het komt: Niet-realistisch conflict draait om agressie, dus elk heftig incident lijkt erin te passen. Het onderscheid gaat echter over wat het doel is en wat inwisselbaar is, niet over hoe heftig het eraan toegaat.

Waaraan je het herkent: Je kunt niet zeggen wat de betrokkenen met het conflict wilden bereiken, maar noemt het toch niet-realistisch.

Contact werkt via kennis

Wat er misgaat: Je legt het effect van contact uit met "ze leren dat het stereotype niet klopt" en voorspelt dat stereotypen sterker dalen dan afkeer.

Hoe het wel moet: Noem de affectieve mediatoren: minder intergroup anxiety, meer empathy, ook vertrouwen, perspective taking en self-disclosure, het sterkst in vriendschappen. Kennis noem je hooguit als kleinere route.

Waardoor het komt: Allport dacht precies dat, en het klinkt logisch. De meta-analyses vinden echter dat kennis maar een zwakke mediator is en dat contact affectief vooroordeel sterker verlaagt dan cognitief.

Waaraan je het herkent: Je enige mediator is "meer informatie over de groep".

Een legitimizing myth beoordelen op zijn inhoud

Wat er misgaat: Je noemt een idee als vrouwenrechten of democratie automatisch hierarchy-attenuating, en een harde uitspraak automatisch hierarchy-enhancing.

Hoe het wel moet: Bepaal het type aan de functie: vergroot instemming met het idee de steun voor beleid dat ongelijkheid in stand houdt, of is het de schakel tussen SDO en dat beleid, dan werkt het als hierarchy-enhancing.

Waardoor het komt: De voorbeelden in de stof sluiten vaak aan bij je gevoel: racisme versterkt, mensenrechten verzwakken. Pratto en Stewart laten echter zien dat ook liberale idealen geweld kunnen rechtvaardigen.

Waaraan je het herkent: Je oordeel over het type zou hetzelfde blijven als je niet wist waarvoor het idee in de casus wordt ingezet.

Het lijstexperiment als impliciete meting

Wat er misgaat: Je noemt het lijstexperiment een manier om onbewuste bias te meten, of je gebruikt het om het vooroordeel van één respondent vast te stellen.

Hoe het wel moet: Het lijstexperiment omzeilt sociale wenselijkheid: de respondent weet wat hij vindt, maar hoeft het niet te zeggen. Het geeft alleen een aandeel voor de hele steekproef. Impliciete metingen als de IAT en de AMP gaan over automatische associaties waar iemand zich niet bewust van hoeft te zijn.

Waardoor het komt: Het lijstexperiment en de IAT omzeilen allebei de directe vraag, dus ze lijken op elkaar. Maar ze lossen een ander probleem op.

Waaraan je het herkent: Je beschrijft een lijstexperiment en gebruikt daarbij het woord onbewust of een individuele score.

Nu weet je waar je moet beginnen

De samenvatting van Understanding prejudice: intergroup relations volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.

Begin gratis met week 1 · Samenvatting Understanding prejudice: intergroup relations · Bekijk prijzen

Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.